Steun ons en help Nederland vooruit

Inhoud

Nederland wordt duurzaam

Klimaat en energie

Het klimaatverdrag van Parijs is een doorbraak. 195 landen hebben ervoor getekend de mondiale temperatuurstijging tot ruim onder 2 graden Celsius te beperken, en daarbij te streven naar een verdere beperking van de opwarming tot maximaal 1,5 graad Celsius. Het is onze plicht er alles aan te doen die doelstelling te halen. Daarmee worden we ook minder afhankelijk van olie uit het Midden Oosten en gas uit Rusland. De Europese Unie heeft namens alle lidstaten harde toezeggingen gedaan om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met minstens 40 procent te verminderen ten opzichte van 1990. Die toezegging is winst, maar onvoldoende om de doelstellingen van 2 graden Celsius te halen, laat staan de ambitie van 1,5 graad Celsius. Daar is meer voor nodig.

We leggen daarom de lat hoger dan de toezegging die de EU gedaan heeft. In Nederland nemen we maatregelen die ons voorbereiden op een reductie van 49 procent in 2030. We maken een nationaal klimaat- en energieakkoord dat sectoren de zekerheid geeft aan welke doelstellingen voldaan moet worden op de langere termijn. Voor de korte termijn nemen we maatregelen als vergroening van het belastingstelsel, meer kavels op zee voor windenergie, de introductie van een minimumprijs van CO2 voor de elektriciteitssector.

In de EU nemen we het voortouw om het doel op 55 procent te krijgen. In 2019, vijf jaar na het verdrag van Parijs, is de eerste van de vijfjaarlijkse mogelijkheid om internationaal de doelen aan te scherpen. Daarvan maken we gebruik. Als de EU als geheel onvoldoende ambitieus is, trekken we samen met buurlanden op om gezamenlijk een extra inzet af te spreken bovenop de EU-afspraken.

Internationale strategie

  • We pleiten in Europa voor een emissiereductie van 55 % in 2030. Het jaar 2018, wanneer de EU besluit over de inbreng tijdens de mondiale review van de Parijs-afspraken in 2019, is daarvoor het geëigende moment.
  • Mocht een aangescherpte doelstelling in de EU niet haalbaar blijken, dan zal Nederland ernaar streven om met gelijkgestemde Noordwest-Europese landen tot ambitieuzere afspraken te komen dan de door de EU-toegewezen landenallocatie. Door samen op te trekken met onze buurlanden voorkomen we grote concurrentienadelen voor de Nederlandse economie.
  • Beleid dat ambitieuzer is dan de landenallocatie van de EU, mag niet tot hogere uitstoot elders leiden. Om dat te voorkomen zal in de kopgroep flankerend beleid gevoerd moeten worden, bijvoorbeeld het opkopen van ETS-rechten.
  • Omdat de uitkomst van de internationale gesprekken in 2019 nog niet vaststaat, kan de uiteindelijke doelstelling voor 2030 afwijken van de 49% waar het kabinet nu van uit gaat.

Nationale strategie

  • Er komt een nationaal Klimaat- en energieakkoord. Als uitgangspunt geldt de doelstelling van 49 %-reductie in 2030. Een eventuele bijstelling van de opgave voor 2030 wordt verdisconteerd in dit akkoord.
  • De hoofdlijnen van de afspraken op het terrein van klimaat en energie in dit regeerakkoord, worden verankerd in een Klimaatwet.
  • Het nationaal Klimaat- en energieakkoord geeft maatschappelijke partijen (bedrijven, bestuurlijke partners, milieubeweging) meer zekerheid over langetermijndoelen. Tegelijkertijd creëert het akkoord een platform om voortdurend met elkaar in gesprek te blijven en te reageren op nieuwe (technologische) ontwikkelingen. Het akkoord bevat tevens concrete afspraken over de institutionele verankering.
  • Een emissiereductiedoelstelling van 49% in 2030 impliceert een additionele reductie ten opzichte van ongewijzigd beleid van 56 Mton CO2. In onderstaande tabel is deze opgave, in lijn met verkenningen van het PBL, indicatief vertaald in een opgave op sectorniveau. In het nationaal Klimaat- en energieakkoord worden met alle sectoren afspraken gemaakt over het tijdpad.

  • Relatief veel emissiereducties vinden plaats in de industrie omdat daar een groot (technisch) besparingspotentieel is dat tegen relatief lage kosten benut kan worden. Een passend, op innovatie gericht beleidspakket kan ervoor zorgen dat de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie niet in gevaar komt en dat voortgebouwd wordt op de kracht die Nederland heeft. Goed en slim klimaatbeleid biedt kansen voor economische groei en werkgelegenheid.

Financiering van de klimaat- en energietransities

  • Met partijen wordt verkend hoe het toekomstig beleid succesvol is in te richten, expertise is op te bouwen en proefprojecten zijn uit te voeren. Hiervoor is in de begroting 300 miljoen euro per jaar vrijgemaakt.
  • Met de SDE+-middelen, die oplopen tot 3,2 miljard euro per jaar, zal een kostenefficiënt klimaatpakket worden vormgegeven dat stuurt op emissiereductie.
  • De verhuurdersheffing zal mede afhankelijk worden gemaakt van de investeringen in energiebesparing door de corporaties. Het kabinet reserveert hier100 miljoen per jaar voor.
  • De salderingsregeling duurzame elektriciteit wordt in 2020 omgevormd in een nieuwe regeling. De verwachting is dat de kosten van zonnestroom zullen dalen en met dezelfde middelen meer duurzaamheidswinst geboekt kan worden.
  • Opgeteld is er per jaar uit Rijksmiddelen een budget van bijna 4 miljard euro beschikbaar. Dat is exclusief de middelen in het topsectorenbeleid en het innovatiebeleid die sterker gericht zullen worden op de energie- en klimaatopgaven. Daarnaast zal ook een aanzienlijk deel van de extra middelen voor decentrale overheden ten goede komen aan klimaatbeleid volgens te maken afspraken. De verduurzamingsopgave van de gebouwde omgeving vindt immers met name plaats onder verantwoordelijkheid van decentrale overheden. In een bestuursakkoord wordt dit nader uitgewerkt. Met InvestNL komt er voorts meer risicodragend kapitaal beschikbaar, ook voor energietransitie­projecten.

Maatregelen

  • De stimuleringsregeling voor duurzame energieproductie (SDE+) wordt verbreed om ook andere emissiereductietechnologieën te stimuleren, onder andere afvang en opslag van koolstofdioxide. Dit kan een grote bijdrage leveren aan het terugdringen van emissies in de industrie, de elektriciteitssector en afvalverbrandingsinstallaties.
  • Door aanpassing van de energiebelasting wordt belasting op gas en elektriciteit vanuit CO2-optiek evenwichtiger. Onderdeel hiervan is de introductie van een minimumprijs van CO2 voor de elektriciteitssector. Hierdoor ontstaan prikkels voor energiebesparing en emissiereductie. We vergroenen de belastingen voor burgers en bedrijven
  • De kolencentrales worden uiterlijk in 2030 gesloten. In een te sluiten Nationaal klimaat en energieakkoord zullen met de sector afspraken worden gemaakt over het tijdpad.
  • De subsidiëring van bijstook biomassa in kolencentrales wordt na 2024 stopgezet.
  • In navolging van omringende landen wordt zo spoedig mogelijk een kilometerheffing voor vrachtverkeer (“Maut”) ingevoerd. Het daarvoor te introduceren registratie- en betalingssysteem wordt gelijk aan dat in de buurlanden, zodat voor vrachtauto’s geen extra apparatuur benodigd is. De inkomsten uit de heffing zullen in overleg met de sector worden teruggesluisd naar de vervoerssector door verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s en gelden voor innovatie in en verduurzaming.
  • Het innovatiebeleid wordt sterker gefocust op grote maatschappelijke thema’s als de energietransitie.
  • We vergroten het aanbod van kavels voor windenergie op zee.
  • We onderzoeken of en hoe de mededingingswetgeving kan worden aangepast als deze samenwerking met het oog op duurzaamheid, tussen bedrijven en in ketens, in de weg staat.
  • Het kabinet zal in overleg treden met het Havenbedrijf Rotterdam en de in het havengebied actieve bedrijven om het grote potentieel dat er in de regio Rijnmond is voor koolstofdioxide-afvang en -opslag en restwarmte te benutten. Soortgelijke verkenningen zullen ook plaatsvinden voor het Amsterdamse havengebied en het Westland.
  • We verlengen de subsidieregeling voor energiebesparing bij sportverenigingen.
  • Aan het eind van de kabinetsperiode zullen nieuwe woningen en andere nieuwe gebouwen in de regel niet meer op gas verwarmd worden. Stapsgewijs zal ook de markt voor verduurzaming van de bestaande woningvoorraad op gang gebracht worden. Naarmate de expertise en ervaring in de bouwsector toenemen, zullen de kosten dalen en kan de verduurzamingsmarkt meer op eigen benen staan.
  • Uitgewerkt wordt welke vormen van gebouw-gebonden financiering gebruikt kunnen worden om besparingsopties aantrekkelijk te maken voor particuliere woningeigenaren.
  • Met gemeenten, provincies, waterschappen en netbeheerders maken we per regio een plan voor verduurzaming van de gebouwde omgeving om te komen tot een programmatische aanpak met een optimale mix van energiebesparing, duurzame warmte en duurzame opwekking. (zie ook het hoofdstuk wonen).
  • De aansluitplicht van gas wordt vervangen door een warmterecht, waarmee eindgebruikers aanspraak kunnen maken op een aansluiting op een (verzwaard) elektriciteitsnet of een warmtenet.
  • In lijn hiermee worden de energieprestatie-eisen voor nieuwbouw verder aangescherpt en zal in nieuwbouwwijken niet meer standaard een gasnet worden aangelegd.
  • Er komt een aparte regeling voor energiecoöperaties die het mogelijk maakt dat omwonenden makkelijker kunnen participeren in duurzame energieprojecten in hun directe omgeving.
  • In een bestuursakkoord met medeoverheden worden afspraken gemaakt over klimaatadaptatie. 

Mobiliteit

Een slim en duurzaam vervoerssysteem waarvan de delen naadloos op elkaar aansluiten. Zo willen we Nederland mobiel en bereikbaar houden. Nu de economie weer goed draait, is een extra investering in infrastructuur nodig en mogelijk om toenemende drukte op de weg, het spoor, het water en in de lucht te verminderen. Tegelijkertijd nemen we maatregelen om de belasting voor het klimaat, de luchtkwaliteit en de leefomgeving te beperken. Innovatie biedt daarbij enorme kansen. De technologische ontwikkeling biedt de mogelijkheid om uiteindelijk tot een meer geïntegreerd vervoerssysteem te komen dat steeds schoner wordt.

Personenvervoer

  • Bij ontwerp, aanleg en onderhoud van infrastructuur houden we rekening met zelfrijdende voertuigen en benodigde systemen in of langs de weg. Overheidsinformatie over verkeer wordt zoveel mogelijk via open data beschikbaar gesteld voor voertuigen, apps en reisplanners. Om ieders privacy te waarborgen leggen we spelregels vast over de eigendom en het gebruik van reisdata.
  • Het streven is dat uiterlijk in 2030 alle nieuwe auto’s emissieloos zijn. Uitfasering van de fiscale stimulering van emissieloze auto’s wordt in lijn gebracht met deze ambitie.
  • We zorgen ervoor dat we met voldoende tank- en laadinfrastructuur klaar zijn voor een nieuw wagenpark. Levering en exploitatie van laadapparatuur blijft primair de verantwoordelijkheid van marktpartijen.
  • Door het instellen van een milieuzone en het hanteren van lagere parkeertarieven voor emissieloze auto’s hebben gemeenten instrumenten om de luchtkwaliteit in binnensteden te verbeteren. Wel zal (net als in Duitsland) één systeem met eenduidige categorieën en borden voor milieuzones worden ingevoerd zodat automobilisten in elke gemeente de regels snappen. De bestaande maximumsnelheden blijven in stand, waarbij de geldende veiligheids- en milieunormen steeds leidend zijn.
  • Samen met de Mobiliteitsalliantie voeren we deze kabinetsperiode pilots uit om ervaringen op te doen met alternatieve vormen van vervoer en betaling, zonder dat dit leidt tot een systeem van rekeningrijden.
  • Omdat fietsen een goed alternatief voor het OV en de auto kan zijn, trekt het kabinet eenmalig een bedrag van 100 miljoen euro uit voor cofinanciering van gemeentelijke en provinciale investeringen in fietsinfrastructuur en fietsenstallingen bij OV-knooppunten.
  • Het openbaar vervoer moet in alle delen van Nederland een goed alternatief zijn voor de auto. Het belang van de reiziger staat daarbij voorop. Die moet snel, comfortabel en veilig van A naar B kunnen reizen. Dat vraagt om betrouwbare en actuele reisinformatie, goede aansluiting op fiets, taxi en auto en een veilig en gemakkelijk betaalsysteem.
  • Om tot een regionaal geïntegreerd aanbod van trein, tram/metro en bus te komen worden meer sprinterdiensten op het hoofdrailnet toegevoegd aan regionale OV-concessies. We richten ons daarbij op één of meer van de lijnen Apeldoorn-Enschede, Zwolle-Groningen/Leeuwarden en Dordrecht-Breda (in combinatie met de Merwede-Lingelijn). NS mag net als alle andere marktpartijen aan deze regionale concessies meedoen.
  • Met stedelijke regio’s maken we afspraken over cofinanciering van de verdere uitbreiding van het openbaar vervoer, bijvoorbeeld via lightrailverbindingen.
  • We passen wet- en regelgeving aan zodat openbaar vervoer- en taxibedrijven flexibel en vraaggericht vervoer (‘mobility as a service’) kunnen aanbieden. Provincies en vervoerregio’s die met nieuwe vormen van doelgroepenvervoer, openbaar vervoer en deelsystemen willen experimenteren, krijgen daarvoor de ruimte.
  • Richting 2025, wanneer de concessie van de Nederlandse Spoorwegen voor het hoofdrailnet afloopt, wordt de optie voor meer marktopening opengehouden. De eerste stap hierin is een evaluatie van de huidige prestaties in 2019. In deze tussentijdse evaluatie van de concessie van NS bekijken we ook verschillende opties voor het eigendom en de exploitatie van stations na 2025.
  • Als de NS de prestatie-indicatoren voor de HSL-Zuid voor de derde keer op rij niet haalt, zal het vervoer op de HSL-Zuid opnieuw worden aanbesteed.
  • ProRail wordt omgevormd tot een publiekrechtelijke ZBO met eigen rechtspersoonlijkheid. Dit heeft geen gevolgen voor de huidige rechtspositie en arbeidsvoorwaarden van de werknemers.
  • In aansluiting op de Belgische investering op de lijn Antwerpen-Hamont wordt het aansluitende traject Hamont-Weert, met cofinanciering van regionale overheden, gereactiveerd voor personentreinen. We bekijken ook hoe we de verbinding vanuit Eindhoven naar Duitsland kunnen verbeteren.
  • Met het oog op de veiligheid van reizigers en personeel in het openbaar vervoer, wordt informatie over reis- en verblijfsverboden beter tussen de verschillende vervoerders en handhavende instanties gedeeld.

Verkeersveiligheid

  • Het aantal verkeersdoden en –gewonden neemt de laatste jaren toe, onder meer onder kwetsbare verkeersdeelnemers zoals fietsers en voetgangers. Het aantal slachtoffers moet omlaag. Samen met (branche)organisaties, provincies, gemeenten en handhavende instanties zetten we ons in voor de realisatie van het manifest ‘Verkeersveiligheid: een nationale prioriteit’.
  • We investeren samen met de provincies in veilige weginrichting, met name bij N-wegen. Daarnaast zetten we in op beïnvloeding van verkeersgedrag, slimme handhaving en wordt de registratie van de oorzaken van verkeersongelukken verbeterd.
  • Daar waar verlichting op de snelwegen bijdraagt aan verhoging van de verkeersveiligheid gaat deze ’s avonds en ’s nachts weer aan.
  • Notoire verkeersovertreders worden harder aangepakt. Het boetesysteem wordt gewijzigd, zodat voor overtredingen met veel gevaarzetting of herhaalde overtredingen de boetes worden verhoogd en de boetes voor kleine overtredingen kunnen worden verlaagd.

Goederenvervoer

  • We stimuleren het gebruik van stillere goederentreinen en de Betuweroute om overlast langs andere routes zoveel mogelijk te beperken.
  • De binnenvaart en de spoorwegen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het beperken van toenemend goederenvervoer over de weg en het beperken van uitstoot die slecht is voor het klimaat. We stimuleren het spoorgoederenvervoer door de gebruiksvergoeding in de pas te laten lopen met die in de buurlanden. Voor de binnenvaart worden tijden van brug- en sluisbediening beter afgestemd.
  • In de zeevaart en binnenvaart is nog veel milieuwinst te behalen. Met de sector zal een Green Deal worden opgesteld voor verduurzaming van de zeevaart, binnenvaart en havens.
  • Het kabinet zet er zich voor in om voor alle Europese wateren laagemissiezones in te stellen ten behoeve van een gelijk en duurzamer speelveld.
  • De Nederlandse zeehavens zijn verplicht om vennootschapsbelasting te betalen. Tegelijkertijd investeren ze in publieke infrastructuur die in omringende landen door de overheid wordt aangelegd. Een herbezinning op de kostentoerekening van infrastructuur moet ervoor zorgen dat de Nederlandse havens weer een gelijke uitgangspositie krijgen ten opzichte van havens in de buurlanden.
  • In lijn met het advies van de Raad van State worden voor de vervoersector alleen de kosten voor vergunningverlening aan bedrijven in rekening gebracht en worden de kosten voor toezicht en handhaving als overheidskosten beschouwd .
  • In navolging van omringende landen wordt zo spoedig mogelijk een kilometerheffing voor vrachtverkeer (“Maut”) ingevoerd. Het daarvoor te introduceren registratie- en betalingssysteem wordt gelijk aan dat in de buurlanden, zodat voor vrachtauto’s geen extra apparatuur benodigd is. De inkomsten uit de heffing zullen in overleg met de sector worden teruggesluisd naar de vervoerssector door verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s en gelden voor innovatie in en verduurzaming.

Ontwikkeling nieuwe infrastructuur

  • Voor een inhaalslag in infrastructuur stelt het kabinet cumulatief 2 miljard euro beschikbaar in de eerstkomende drie jaar. Daarna wordt het structurele budget met 100 miljoen euro verhoogd. Bij de verdeling van deze middelen wordt aangesloten bij de bestaande verdeelsleutel tussen weg, water en openbaar vervoer, met uitzondering van een eenmalig bedrag van 100 miljoen euro dat wordt vrijgemaakt voor cofinanciering vanuit het Rijk voor fietsinfrastructuur en fietsparkeervoorzieningen.
  • Nieuwe investeringen worden gebaseerd op de uitkomsten van de Nationale Markt en Capaciteits Analyse (NMCA) en geprioriteerd naar de meest rendabele projecten en de beschikbaarheid van cofinanciering vanuit regio’s.
  • We zetten de extra financiële middelen met name in om de grootste resterende knelpunten uit de NMCA aan te pakken. Specifiek gaat het om A4, A7, A15 in de Randstad en de verkeersaders van en naar het zuiden, oosten en noorden (A1, A2, A12, A28 en A58). De aansluiting tussen het hoofdwegennet en het onderliggend wegennet wordt verbeterd via afspraken met provincies en gemeenten over de besteding en verantwoording van
  • Het kabinet gaat door met de aanleg van ontbrekende schakels in het wegennet, zoals de verlengde A15, de A13-A16, de Blankenburgverbinding en de Ring Utrecht. Naast de al afgesproken natuurcompenserende maatregelen voor Amelisweerd, gaat het kabinet met de regio Utrecht aan de slag met de Noordelijke Randweg en een betere OV-verbinding voor Utrecht Science Park/de Uithof dat ook dient als alternatief voor Utrecht CS.
  • Samen met de regio zal worden bezien of en hoe de landzijdige ontsluiting – per auto, trein en/of metro – van Schiphol kan worden verbeterd.
  • Waar het milieutechnisch en verkeersveilig kan, worden spitsstroken vaker opengesteld.
  • De extra middelen voor het openbaar vervoer worden ingezet voor cofinanciering van OV in stedelijke regio’s, tijdige aanleg van het beveiligingssysteem ERTMS en voorfinanciering van de overschakeling op 3kV bovenleidingspanning.
  • Het Infrastructuurfonds wordt omgevormd tot een Mobiliteitsfonds. Kern van het fonds is dat niet langer de modaliteit maar de mobiliteit centraal staat. Tot 2030 zijn de financiële middelen verdeeld tussen de traditionele modaliteiten: ’ wegen’, ‘spoorwegen’ en water. Vanaf 2030 gebruiken we een nieuwe indeling die aansluit op de agenda voor slimme en duurzame mobiliteit. Deze omvat in ieder geval een apart budget voor beheer en onderhoud, een budget voor het beter benutten van bestaande infrastructuur, het stimuleren van intelligente transportsystemen (ITS) als de zelfrijdende auto, CO2-neutrale oplossingen en Mobillity as a service, en een budget voor de aanleg van nieuwe infrastructuur om knelpunten op te lossen.  De taakverdeling met andere overheden houden we intact. De ontwikkeling van een Mobiliteitsfonds leidt er dus niet toe dat we verplichtingen aan hen overdragen of van hen overnemen.

Luchtvaart

  • Een goede luchthaven Schiphol met een succesvolle home-carrier is belangrijk voor de Nederlandse economie en onze aantrekkingskracht als vestigingsplaats. De afgelopen jaren is de luchtvaart sterk gegroeid en die trend zet naar verwachting door. Dit leidt tot een aantal uitdagingen. Schiphol zit tegen het afgesproken vluchtenplafond tot 2020, regionale luchthavens groeien, omwonenden ervaren (geluid)hinder en de sector heeft een forse klimaatopgave.
  • Het kabinet maakt een nieuwe Luchtvaartnota (2020-2040). Slim en duurzaam zijn de kernbegrippen. Door de focus te leggen op hinderbeperking in plaats van het aantal vliegbewegingen werken we aan een betere leefomgeving en luchtkwaliteit, terwijl de sector met slimmere en schonere vliegtuigen ruimte kan creëren voor groei van het aantal vluchten. Een veilige afhandeling van het vliegverkeer staat daarbij op één.
  • Het selectiviteitsbeleid moet beter. Op Schiphol geven we voorrang aan vluchten die het (inter)continentale netwerk versterken. Eindhoven Airport en Lelystad Airport zijn de belangrijkste luchthavens voor vakantievluchten.
  • Het kabinet gaat de voorgenomen aanpassing van het luchtruim per 2023, of zoveel eerder als mogelijk realiseren om vliegroutes in het hele land te optimaliseren en verkorten. Dit leidt tot minder geluidsoverlast en CO2-uitstoot, en de mogelijkheid voor Schiphol en Lelystad Airport om zich goed te ontwikkelen
  • De door de sector behaalde milieuwinst sinds het ingaan van het Aldersakkoord mag, conform de afspraken aan de Alderstafel, voor 50% worden benut voor groei van vliegverkeer. De overige 50% van de milieuwinst wordt  gebruikt voor vermindering van de overlast voor omwonenden.
  • Op het terrein van klimaat is er op korte termijn winst te behalen met een meer gebruik van bio-kerosine. Dat vraagt inzet van de hele keten van producent tot eindgebruiker.
  • Nederland zet in Europees verband in op belastingen op luchtvaart in het kader van de voor 2019 geplande onderhandelingen over de klimaatdoelen van ‘Parijs’. Ook wordt bezien of een heffing op lawaaiige en vervuilende vliegtuigen mogelijk is. Indien beide routes onvoldoende opleveren zal er per 2021 een vliegbelasting worden ingevoerd.
  • De groei van het aantal passagiers op Schiphol vraagt om een efficiënter proces van grenscontroles. We investeren daarom in de capaciteit van de Koninklijke Marechaussee en verdere digitalisering van paspoortcontroles.

Gaswinning

De impact van de aardbevingen in Groningen is enorm. Alle facetten daarvan blijven hoog op de agenda. Bij alles geldt: veiligheid staat voorop. We nemen maatregelen om de behoefte aan Groningengas te verminderen. Dit maakt de verdere stapsgewijze verlaging van de winning mogelijk, die noodzakelijk is voor de veiligheid in het gaswinningsgebied én de veiligheid bij afnemers. Daarnaast werken we aan preventie, herstel en perspectief boven de grond. Herstel en versterking van woningen, gebouwen, monumenten en infrastructuur moet centraal staan; niet de discussie over de verantwoordelijkheidsverdelingen. De afhandeling van schade en herstel wordt onafhankelijk van de NAM. Voor de investeringen in de leefbaarheid en economie van de regio wordt een fonds ingesteld. 

Veilige en verantwoorde gaswinning

  • De maatregelen die nodig zijn om de veiligheid van de gaswinning te verankeren worden doorgevoerd. Tegelijkertijd zal bij besluiten over gaswinning ook gekeken worden naar de veiligheidsrisico’s die samenhangen met leveringszekerheid.
  • Doel is om in de periode tot 2021 de vraag naar Groningengas met 3 miljard kubieke meter (bcm) te verminderen ten opzichte van 2017. Volgens de huidige inzichten verkleint zowel minder winning als een vlakkere winning het aardbevingsrisico. Tegelijkertijd is duidelijk dat we ruimte moeten maken en behouden om in de toekomst snel te kunnen reageren op nieuwe inzichten en gebeurtenissen als de veiligheid daarom vraagt. Het meet- en regelprotocol dat door NAM is ontwikkeld en door het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) getoetst wordt, kan helpen om het gasveld op een verantwoorde manier te exploiteren. Deze aanbeveling van het SodM nemen we over. De daling van de vraag zal daarom voor ongeveer de helft gebruikt worden om ruimte te creëren om ´vlakker” te winnen.
  • Voor de structurele vermindering van de vraag naar Groningengas zal in de komende kabinetsperiode, waar verantwoord en juridisch en technisch mogelijk, het gebruik voor energieopwekking en als grondstof en brandstof in de industrie worden teruggedrongen. Het kabinet zal in onderhandeling treden met de afnemers en bezien of zij kunnen overschakelen op duurzame bronnen of – als dat niet mogelijk is – op hoogcalorisch (geïmporteerd) gas. Voorts worden met gemeenten, netbeheerders, corporaties, financiers en andere betrokken partijen afspraken gemaakt over een programmatische aanpak ten aanzien van de verduurzaming van de gebouwde omgeving.
  • Aan het eind van de kabinetsperiode zal de winning naar verwachting circa 1,5 bcm lager kunnen liggen dan volgens het meest recente winningsbesluit van 21.6 bcm (per okt 2017). Het verschil in de daling van de vraag (3 miljard kubieke meter) en de daling van de winning (1,5 miljard kubieke meter) geeft de buffer die nodig is om veiligheid in de ondergrond te combineren met een stabiele en veilige gasvoorziening bij de mensen thuis. Dit is de vlakke winning zoals het SodM die adviseert.
  • Na 2021 kan een verdere verlaging worden verwacht. Scenario’s hiervoor worden door het kabinet uitgewerkt.

Verantwoord omgaan met de ondergrond

  • De energieagenda voorziet een overgangsfase van fossiele naar duurzame energie. Ook bij verduurzaming speelt de ondergrond een steeds belangrijker rol, bijvoorbeeld voor de winning van aardwarmte, de opslag van stoffen en de winning van drinkwater. Ook hieraan kunnen risico’s verbonden zijn. Waar nodig zullen de Mijnbouwwet en eventueel andere wetten worden aangepast om mogelijke risico’s bij gebruik van de ondergrond een betere plek in het besluitvormingsproces te geven. Dit wordt vastgelegd in de Structuurvisie Ondergrond.
  • Er zullen deze kabinetsperiode geen opsporingsvergunningen worden afgegeven voor nieuwe gasvelden op land. Bestaande vergunningen blijven van kracht binnen de bestaande wet- en regelgeving.

Investeringen in herstel en preventie

  • De schade in het gaswinningsgebied is groter dan alleen materieel. Veel mensen zijn geconfronteerd met onzekerheid, waar perspectief op een nieuwe toekomst nodig is. Competentieconflicten tussen publieke en private partijen verergeren deze situatie. De Nationaal Coördinator Groningen (NCG) krijgt in overleg met de regio een wettelijk verankerde onafhankelijke positie.
  • De NAM wordt op afstand gezet bij de afhandeling van schade en herstel en bij versterking. Onder onafhankelijke publieke regie komt er een schadefonds. Dit laat onverlet de financiële verantwoordelijkheid van de NAM.
  • Er komt een met de regio afgestemd schadeprotocol waarmee bewoners worden geholpen en waardoor zij geen last hebben van strijd tussen publieke en private partijen.
  • De NCG zal bezien hoe gegarandeerd kan worden dat bewoners tegen redelijke kosten toegang tot rechtsbijstand kunnen krijgen. De huidige arbitrage-regelingen blijven bestaan.
  • De versterking van woningen en gebouwen blijft noodzakelijk. Want de realiteit is dat door gaswinning spanning in de ondergrond is opgebouwd die ook in de toekomst kan leiden tot aardbevingen, ook nu de gaswinning wordt afgebouwd. Met een programmatische aanpak zal onder regie van de NCG de herstel- en versterkingsopgave ter hand worden genomen.
  • De NCG wordt eveneens gevraagd een opkoopregeling uit te werken in het verlengde van de Pilot Koopinstrument.

Regiofonds voor nieuw perspectief op economische versterking en leefbaarheid

  • Met ingang van 2018 valt een jaarlijks bedrag ter grootte van 2½ % van de aardgasbaten ten deel aan een fonds voor de regio, hetgeen op dit moment neerkomt op 50 miljoen euro per jaar.
  • Voor de versterking van de economie en leefbaarheid sluit het Rijk met de provinciale en gemeentelijke bestuurders een tripartiet bestuursakkoord voor een investeringsprogramma gericht op het versterken van de economische structuur van het gebied, waarbij een prominente rol voor Groningen op het gebied van energietransitie en duurzaamheid centraal staan.
  • In het fonds komt geld beschikbaar voor zorgprofessionals en geestelijke verzorgers voor de begeleiding van mensen die psychische klachten hebben overgehouden aan de aardbevingsproblematiek.
  • Het Erfgoedloket en het Erfgoed-adviesteam worden gecontinueerd. De financiering hiervan zal, via het fonds voor de regio kunnen lopen.
  • De herstel- en versterkingswerkzaamheden, waarvoor de NAM financieel verantwoordelijk is, worden zo veel mogelijk gecombineerd met werkzaamheden die gericht zijn op verduurzaming van huizen en economische structuurversterking waarvoor middelen in het fonds voor de regio bestemd zijn.
  • De provincie Groningen kan de nationale koploper worden bij de energietransitie en als kenniscentrum op dit gebied functioneren. Het fonds kan hierbij helpen.

Landbouw, voedsel, natuur, visserij en dierenwelzijn

Nederland is de tweede voedselexporteur ter wereld. Onze agro-foodsector kan een belangrijke bijdrage leveren aan een duurzame voedselvoorziening voor de groeiende wereldbevolking. Het beleid is er op gericht dit potentieel te benutten, binnen de geldende natuur- en milieunormen. Innovatie en ondernemerschap zijn daarbij cruciaal, net als aandacht voor de continuïteit van gezinsbedrijven die een grote rol spelen in de sector. Innovatie moet ook onderdeel zijn van een eigentijds Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, net als duurzaamheid, voedselzekerheid en voedselveiligheid. Ook streeft Nederland internationaal met andere koplopers naar verbetering van het dierenwelzijn. Bij handelsverdragen wordt niet getornd aan de Europese standaarden. We spannen ons in voor herstel en behoud van de Nederlandse natuur, bijvoorbeeld met de oprichting van één beheerautoriteit voor de Waddenzee.

Nationaal beleid

  • Nationaal beleid is er op gericht om zo efficiënt mogelijk aan de Europese eisen te voldoen. Een gelijk speelveld tussen producenten in de verschillende EU-landen vereist dat er zo min mogelijk zogeheten ‘nationale koppen’ op Europese regels zijn.
  • Niet tijdig voldoen aan EU-normen dwingt tot hard ingrijpen, met soms vergaande consequenties voor individuele bedrijven. Dat willen we voorkomen door samen met de sector te inventariseren wat de langetermijnopgaven zijn en gezamenlijke actieplannen op te stellen. De versterking van de kringlooplandbouw en de dalende bodemvruchtbaarheid worden hierin meegenomen.
  • Het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn zal worden uitgevoerd. Dit actieprogramma definieert maatregelen die de standaard vormen voor duurzaam en landbouwkundig doelmatig gebruik van stikstof en fosfaat in de Nederlandse landbouw. Door het van kracht worden van de maatregelen in het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn zal voor de periode 2018-2021 opnieuw een uitzondering (“derogatie”)  van de Nitraatrichtlijn verkregen moeten worden.
  • Het laatste decennium zijn we in Nederland geconfronteerd met de gezondheids- en leefomgevingsrisico’s in gebieden met een zeer hoge veedichtheid. Die kunnen en willen we niet negeren. Het kabinet zal met de sector en de betreffende provincies bezien hoe we deze problematiek kunnen aanpakken. In samenspraak met de provincies (met name Noord Brabant) wordt bezien hoe een warme sanering van de varkenshouderij in belaste gebieden kan worden vormgeven. Het rijk reserveert hiervoor financiële middelen.
  • Er komt een bedrijfsovernamefonds waaruit jonge boeren worden ondersteund om de overname van het gezinsbedrijf en investeringen in innovatie te financieren.
  • Om het dierenwelzijn en de voedselveiligheid te borgen en de reputatie van de Nederlandse agro-foodsector te beschermen word het toezicht aangescherpt. De NVWA wordt doorgelicht op kosteneffectiviteit en efficiëntie. We intensiveren structureel 20 mln. voor versterking van de organisatie.
  • We ondersteunen initiatieven die de verbinding tussen boer en burger versterken, zoals city-landbouw en de verkoop van streekproducten op de boerderij.
  • De mededingingswet wordt aangepast zodat samenwerking in de land- en tuinbouw expliciet wordt toegestaan. Dit om de ongelijke machtsverhoudingen in de keten te compenseren.
  • Op verzoek van branche- of producentenorganisaties kan de overheid sectorale afspraken in de land- en tuinbouw algemeen verbindend verklaren (AVV-en), bijvoorbeeld voor de financiering van onderzoek naar innovatieve producten en het verplichten van duurzamere standaarden. Hierbij wordt rekening gehouden met Europese kaders en de Nederlandse exportpositie. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) krijgt een speciaal team voor geschillenbeslechting in de agro-nutriketen.
  • De ACM gaat erop toezien dat boeren en tuinders hogere prijzen ontvangen van afnemers die bovenwettelijke eisen stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van duurzaamheid of dierenwelzijn.
  • Om een gezonde leefomgeving te waarborgen voor mensen en dieren zal het kabinet de samenwerking in de Regio FoodValley ondersteunen en de uitkomsten daarvan beschikbaar maken voor de rest van Nederland.
  • Ten opzichte van het emissiepad bij ongewijzigd beleid moeten de broeikasgasemissies uit de landbouw in 2030 met 3,5 Mton afnemen. Het kabinet zal met de sector in gesprek gaan over de invulling hiervan. Daarbij hebben technische maatregelen (mestverwerking, voedselmix, kas als energiebron, etc.) de voorkeur boven volumebeperkende maatregelen.
  • Voor het tegengaan van methaanuitstoot in de landbouw wordt er in samenwerking met waterschappen en betrokken boeren geëxperimenteerd met flexibel peilbeheer, en verder onderzoek naar onderwaterdrainage en praktijkonderzoek naar daling methaanemissie mestopslagen. In samenwerking met boeren wordt in de directe omgeving van Natura 2000 gebieden bekeken of agrarisch natuurbeheer een bijdrage kan leveren aan minder intensieflandgebruik en daarmee aan de klimaatopgave en natuurherstel. Het kabinet gaat betrokken boeren hier dan voor compenseren en benut daarbij alle mogelijkheden van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB).
  • Waar nodig en mogelijk krijgen supermarkten en horeca meer ruimte om overschotten aan voedselbanken te doneren.
  • Ten behoeve van de 2027-doelen van de Kaderrichtlijn Water maakt het kabinet afspraken met de decentrale overheden over de ondersteuning van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW).
  • Regionaal maatwerk voor de aanpak van wateroverlast, waterkwaliteit en zoetwatergebruik is mogelijk om tegen minimale maatschappelijke kosten aan de eisen van de Nitraatrichtlijn te voldoen.
  • Het beleid ten aanzien van nationale parken wordt voortgezet.
  • Er komt één beheerautoriteit voor de Waddenzee die een integraal beheerplan uitvoert, waardoor betere bescherming van natuurgebieden gecombineerd wordt met beter visbeheer.
  • De programmatische aanpak stikstof (PAS) wordt voortgezet, maar wordt zo nodig aangepast naar aanleiding van de uitspraken van het Europees Hof.
  • Het groen onderwijs zal op dezelfde wijze per deelnemer gefinancierd worden als het reguliere onderwijs. Daar past bij dat het groen onderwijs als beleidsterrein wordt ondergebracht bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De kenmerkende hechte samenwerking tussen overheid, onderwijs en bedrijfsleven blijft gewaarborgd. De oude taakstelling van 10 miljoen euro op het groen onderwijs wordt teruggedraaid.
  • Ter cofinanciering vanuit de overheid van een innovatieprogramma visserij wordt incidenteel 15 mln. euro beschikbaar gesteld. 

Inzet in de Europese Unie

  • Het kabinet zet in op hervorming van het GLB na 2020. Het GLB moet minder gericht worden op inkomensondersteuning en meer op innovatie, duurzaamheid, voedselzekerheid en voedselveiligheid. Daarnaast moet het GLB samenwerking tussen landbouwers faciliteren en bijdragen aan de crisisbestendigheid van de sector. Met deze focus kan ook de verkleining van het GLB-budget door de Brexit worden opgevangen.
  • Tegelijkertijd zetten we in op vereenvoudiging van het GLB en daarmee op een verlaging van de regeldruk vanuit Europa. We streven op Europees niveau naar doelvoorschriften, bijvoorbeeld ten aanzien van de kwaliteit van lucht en oppervlaktewater, om op nationaal niveau vrijheid te behouden voor de invulling van de doelen. Ook moet er op nationaal niveau voldoende ruimte zijn voor pilots om op een efficiënte manier aan de eisen van richtlijnen (bijv. de Nitraatrichtlijn) te voldoen.
  • Er worden niet meer visgebieden gesloten dan noodzakelijk vanuit Europese regelgeving. Nederland zal in EU-verband bepleiten dat bij de locatie van windmolens op zee rekening gehouden wordt met de belangen van de visserij en dat daar waar mogelijk multifunctioneel gebruik wordt toegestaan.
  • Een EU-verbod op pulskorvisserij moet worden voorkomen. De aanlandplicht moet worden versoepeld zodra er alternatieven zijn die hetzelfde doel dienen. Nederland zal zich hiervoor inzetten.
  • Nederland zal in het kader van de Brexit-onderhandelingen opkomen voor de Nederlandse visserijbelangen. Nederland zal zich met andere koplopers blijven inzetten voor een verbetering van het dierenwelzijn en een gelijk speelveld in Europa en daarbuiten (handelsverdragen).
  • Nederland zal zich in internationaal verband inzetten voor behoud van het kwekersrecht.
  • Nederland zal zich in Europa inzetten voor de toepassing en toelating van nieuwe veredelingstechnieken, zoals Crispr Cas9, mits daarbij geen soortengrenzen worden overschreden.

Dierenwelzijn

  • Het kabinet voert een verkenning uit naar het verder beperken van het vervoer van dieren en verbetering van het comfort bij het vervoer en zal voorstellen doen voor regelgeving op Europees niveau, inclusief een sluitend controle- en sanctieregime.
  • Het kabinet wil het aantal stalbranden verminderen en zal hiertoe samen met verzekeringsmaatschappijen en ketenkwaliteitsystemen vóór 2019 afspraken maken over de bestrijding van knaagdieren door ondernemers en een periodieke elektrakeuring.
  • Het kabinet wil geen wettelijke verplichting tot weidegang. De sector dient er daarom voor te zorgen dat de eigen doelstellingen in 2020 haalt.
  • Er komen voorstellen voor een witte lijst van bonafide hondenhandelaren.
  • De illegale import van beschermde dieren moet een halt toe worden geroepen. Er komt een aangepaste regeling van de positieflijst van toegestane huisdieren.
  • Onderzocht wordt of het forensisch-pathologisch onderzoek bij dieren bij het Nederlands Forensisch Instituut versterkt moet worden. 

Leefomgeving

In tal van wetten zijn waarborgen opgenomen om de kwaliteit van onze leefomgeving te beschermen. Het kabinet gaat door op de ingeslagen weg om deze wetgeving te stroomlijnen en begrijpelijker te maken.  In de wetgeving moet helder zijn wat wel en niet is toegestaan. Belangrijk is dat we ruimte houden voor natuur, woningen, werk en recreatie.

Omgevingswet

  • Het traject van de Omgevingswet wordt voortgezet. Bij de omzetting van de bestaande wetten en AMvB’s die geheel of gedeeltelijk opgaan in de Omgevingswet en de vier AMvB’s onder de Omgevingswet, wordt aangesloten bij de doelen en instrumenten van de oorspronkelijke wetten en AMvB’s (“beleidsneutraliteit”).
  • Het kabinet komt vooruitlopend op de invoeringswet met een eerste Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het kabinet komt in deze NOVI met kaders voor de bescherming van de nationale belangen.
  • De Rijksoverheid blijft onder andere verantwoordelijk voor het realiseren van Europese doelstellingen op het terrein van lucht en water. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit eindigt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en zal worden vervangen door een nationaal actieplan luchtkwaliteit dat zich richt op een permanente verbetering van de luchtkwaliteit.
  • Het kabinet zal een vergelijkend onderzoek uitvoeren naar manier waarop EU-lidstaten de verschillende richtlijnen (NEC-richtlijn, Kaderrichtlijn Water, Vogel- en habitat Richtlijn, etc.) hebben geïmplementeerd.

Kwaliteit van oppervlaktewater en drinkwater

  • De hoeveelheid microplastics, medicijnresten en (andere) hormoonverstorende stoffen in het drink- en oppervlaktewater is de laatste jaren toegenomen. Het kabinet komt in overleg met relevante sectoren met een beleidsprogramma om dit op een kosteneffectieve manier terug te dringen.

Ruimte en water

  • Het beschermen van belangrijke open ruimtes zoals het Groene Hart, de Waddenzee en de Veluwe blijft een belangrijk onderdeel van het nationaal ruimtelijk beleid.
  • Het Rijk komt de gemaakte afspraken in het kustpact onverkort na.
  • De uitvoering van het Deltaprogramma wordt voortgezet. Meer dan ooit zal daarbij de nadruk worden gelegd op klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van Nederland.

Circulaire economie

  • Als onderdeel van de klimaatopgave worden de afspraken uit het rijksbrede programma circulaire economie en de transitieagenda’s uit het Grondstoffenakkoord uitgevoerd. Daarbij legt het kabinet een extra accent op ontwikkeling en verspreiding van kennis en best practices.
  • Het kabinet inventariseert tevens welke knelpunten in regelgeving, toezicht en handhaving duurzame innovaties in de weg staan en mogelijk opgelost kunnen worden.
Regeerakkoord: Vertrouwen in de toekomst