Steun ons en help Nederland vooruit

Inhoud

Investeren voor iedereen

Justitie en veiligheid

Nederland is een democratische rechtsstaat die alertheid en onderhoud vergt om de vrijheid en veiligheid van burgers blijvend te kunnen waarborgen. Het zorgen voor een vrije, veilige en rechtvaardige samenleving is een kerntaak van de overheid. Voor een weerbare rechtsstaat is het belangrijk om mee te gaan met ontwikkelingen in de samenleving en de technologie. Hiervoor is het noodzakelijk dat wetgeving, beleid en de uitvoering hiervan worden gemoderniseerd. Ook zijn investeringen in de justitiële keten vereist. Er komen middelen voor meer menskracht en meer kwaliteit.

Veiligheid

  • De nationale politie krijgt structureel 267 miljoen euro extra voor onder andere meer agenten in de wijk en rechercheurs. De verdeling van de inzet van de politie over de regio’s wordt geactualiseerd. De operationele sterkte wordt geflexibiliseerd. Hiermee kan de politie effectiever optreden en ook de digitale veiligheid vergroten. Ook andere onderdelen van de strafrechtketen worden in dit kader versterkt met extra middelen. Voor uitbreiding van de capaciteit zijn extra middelen beschikbaar, onder de voorwaarde dat de flexibiliseringsagenda wordt doorgezet en dat knellende kaders, waaronder sectorspecifieke beperkingen ten opzichte van de Arbeidstijdenwet, worden weggenomen. De diversiteit binnen de politie wordt vergroot.
  • De behandeling van het wetsvoorstel Geweldsaanwending opsporingsambtenaar zal worden voortgezet. In zaken waarin politiemensen zich voor de rechter moeten verantwoorden voor het aanwenden van geweld, worden deze zaken snel en deskundig behandeld door één daartoe aangewezen bestaande rechtbank.
  • In het Team Internationale Misdrijven wordt extra geïnvesteerd. Dit kan worden gebruikt om expertise van buiten de politie aan te trekken, bijvoorbeeld personeel dat ervaring heeft met opsporing van internationale misdrijven, specifieke vreemde talen beheerst en digitale experts.
  • Er wordt structureel 95 miljoen euro gereserveerd voor cybersecurity. De middelen worden onder andere ingezet voor de uitbreiding van personele capaciteit en ICT-voorzieningen en verdeeld over de departementen Veiligheid en Justitie (NCTV), Defensie (MIVD), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (AIVD), Buitenlandse Zaken, Infrastructuur en Milieu en Economische Zaken.
  • Er wordt een ambitieuze cybersecurity-agenda opgesteld met onder meer standaarden voor Internet-of-things-apparaten, het stimuleren van bedrijven om veiliger software te maken via software-aansprakelijkheid, het versterken van het Nationaal Cyber Security Centrum (CCSC) als aanspreekpunt van Computer emergency response teams (CERT) van alle sectoren, het stimuleren van cybersecurity-onderzoek en het verbeteren van voorlichtingscampagnes op het gebied van cyberhygiëne.
  • Voor de uitvoering van de Wet Computercriminaliteit III komt 10 miljoen euro extra beschikbaar. Daarbij zal slechts in een specifieke zaak hacksoftware worden ingekocht door opsporingsdiensten. Leveranciers van dergelijke software worden gescreend door de AIVD en verkopen niet aan dubieuze regimes. Statistieken over het gebruik van hacksoftware worden jaarlijks openbaar gemaakt. Bij de evaluatie van de wet na twee jaar wordt bezien in hoeverre deze regeling de effectiviteit van de wet ernstig aantast. In dat geval wordt alsnog de aanschaf van hacksoftware voor algemeen gebruik overwogen.
  • Terrorismebestrijding vergt onverminderde aandacht. De rapportages omtrent het dreigingsbeeld tonen aan dat ook in de komende periode op alle borden tegelijk zal moeten worden geschaakt. Voor preventie en de-radicalisering betekent dit dat moet worden bezien welke aanpak het meest effectief is en hoe “best practices” kunnen worden gedeeld en uitgevoerd. Ook moet alles in het werk worden gesteld om te voorkomen dat aan “haatpredikers” een podium wordt geboden. Daarnaast blijven ook repressieve maatregelen noodzakelijk, waarbij telkens kritisch afgewogen moet worden in welke mate de privacy en overige vrijheden worden ingeperkt. Voor contraterrorisme is 13 miljoen euro extra per jaar beschikbaar.
  • Van (potentiële) terugkeerders gaat een bijzondere dreiging uit, gelet op hetgeen zij hebben meegemaakt en waaraan zij mogelijk zelfs hebben deelgenomen. Omdat de bewijsvoering in dezen bijzonder moeilijk is, zal worden bezien of en hoe de samenwerking met onafhankelijke internationale organisaties (die zich bezighouden met het verzamelen van bewijzen) kan worden bevorderd. Zorgvuldige bewijsvergaring kost tijd, gedurende welke het risicovol geacht wordt dat terugkeerders zich vrijelijk kunnen bewegen in onze samenleving. Daarom wordt wetgeving tot stand gebracht op basis waarvan terugkeerders gedurende langere tijd in voorlopige hechtenis gehouden kunnen worden, waarbij de rechter kritisch kan blijven toetsen of daartoe (nog) aanleiding bestaat. Deze wetgeving omvat verder de strafbaarstelling van opzettelijk verblijf zonder toestemming in een onder controle van een terroristische organisatie staand gebied en verruiming van de mogelijkheid van DNA-onderzoek bij een verdenking van een terroristisch misdrijf.
  • In de EU zet Nederland in op een veel strengere aanpak van jihadisme.
  • Beïnvloeding vanuit onvrije landen en organisaties via social media of door de financiering van organisaties in Nederland is onwenselijk. Voorkomen moet worden dat vanuit het buitenland via geldstromen naar politieke, maatschappelijke en religieuze organisaties onwenselijke invloed wordt gekocht. Daartoe zullen deze geldstromen meer transparant gemaakt worden. Wederkerigheid vormt hierbij een belangrijke toetssteen. Geldstromen vanuit onvrije landen, waarbij misbruik wordt gemaakt van onze vrijheden, zullen zoveel mogelijk worden beperkt.
  • Er is een nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Informatie-uitwisseling beperkt zich tot partnerdiensten, tenzij de minister toestemming geeft voor uitwisseling met niet-partnerdiensten. Van het willekeurig en massaal verzamelen van gegevens van burgers in Nederland of het buitenland (‘sleepnet’) kan, mag en zal geen sprake zijn. Daarom zal het kabinet bij de uitvoering strikt de hand houden aan de extra waarborgen in deze wet. De evaluatie, waarbij aan dit punt bijzonder belang zal worden toegekend, wordt vervroegd uitgevoerd door een onafhankelijke commissie en zal in ieder geval niet later beginnen dan twee jaar na inwerkingtreding. Indien de evaluatie hiertoe aanleiding geeft, zal het kabinet voorstellen additionele waarborgen in de wet op te nemen en het toezicht hierop te versterken.
  • Er komt een speciale “Ondermijningswet” om de geconstateerde juridische knelpunten in de huidige aanpak van georganiseerde criminaliteit en ondermijnende criminaliteit op te lossen. Ook wordt een ondermijningsfonds opgezet waarin eenmalig 100 miljoen euro wordt gezet ten behoeve de intensivering van de aanpak. Voor een effectieve aanpak moet er daarnaast meer oog zijn voor innovaties binnen het strafrecht en voor creativiteit in de aanpak van ondermijning. Er wordt ingezet op intensieve samenwerking tussen verschillende publieke en private instanties, zoals dat nu ook gebeurt tussen de Taskforce Brabant Zeeland en Intensivering Zuid Nederland
  • Er komt een verbod op Outlaw Motorcycle Gangs (criminele motorbendes). Dit verbod maakt deel uit van de ambitie van het kabinet om met een integrale aanpak van ondermijning en georganiseerde criminaliteit te komen. Motorbendes ontwrichten de samenleving door intimidatie en bedreiging van het lokale bestuur en door drugsoverlast, witwaspraktijken, fysiek geweld en tal van andere criminele activiteiten.
  • Het kabinet versterkt de aanpak van recidive met preventieve en repressieve middelen. Het extra geld loopt op tot 20 miljoen euro per jaar.
  • Het kabinet ondersteunt de inzet van vrijwilligers bij politie en brandweer. Om te voorkomen dat het aantal politievrijwilligers afneemt, bestaat bijzondere aandacht voor de bestaande politievrijwilligers. Daarom wordt gezamenlijk met de politie, politievakorganisaties en de landelijke organisatie politievrijwilligers gewerkt aan een landelijk beleid voor vrijwilligers met betrekking tot rechtspositie, werkzaamheden, werving en opleiding. De Wet normering topinkomens wordt ook bij de politie gehandhaafd.
  • Het is belangrijk om mensen in de prostitutie te beschermen tegen misstanden, zoals uitbuiting en mensenhandel. De strijd tegen mensenhandel wordt daarom versterkt. Er wordt geïnvesteerd in internationaal opsporingsonderzoek. In bronlanden van mensenhandel wordt een vaste politieliaison gestationeerd. Door structureel geld beschikbaar te stellen voor een landelijk dekkend netwerk van uitstapprogramma’s worden mensen die de prostitutie willen verlaten, geholpen. De behandeling van het initiatiefwetsvoorstel Strafbaarstelling misbruik prostituees die slachtoffer zijn van mensenhandel wordt voortgezet. Er wordt geïnvesteerd in de regionale Prostitutie Controle Teams. Ook komt er extra geld voor slachtoffers van mensenhandel.
  • Gemeenten en politie moeten over effectieve mogelijkheden beschikken om mensenhandel te voorkomen, te signaleren en te bestrijden. Mensenhandelaren mogen niet profiteren van ongelijke toezichts- en handhavingsmogelijkheden. Het wetsvoorstel Regulering prostitutie wordt daarom aangepast, zodat uniformiteit ten opzichte van alle sectoren in de prostitutiebranche is verzekerd en bescherming tegen mensenhandel in al deze sectoren gewaarborgd blijft. Om ongewenste verplaatsingen van prostitutie naar minder zichtbare delen van de sector te voorkomen, worden alle vormen van bedrijfsmatige seksuele dienstverlening, waaronder ook escort en zelfstandig werkende prostituees, vergunningplichtig. Er komt een wettelijke grondslag voor lokale intakegesprekken, die als doel hebben vanuit de gezondheidszorg (GGD) zicht te houden op prostituees teneinde misstanden te voorkomen. Er komt een pooierverbod, in aanvulling op de mogelijkheden die artikel 273f Sr biedt voor de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel in de prostitutie. Wie betrokken is bij onvergunde bedrijfsmatige seksuele dienstverlening en daar financieel voordeel uithaalt, wordt strafbaar. Er is geen sprake van strafbare betrokkenheid als gedragingen niet aan de kern van de seksuele dienstverlening raken.
  • Bij de verlening van vergunningen voor kansspelen op internet zal als vergunningsvoorwaarde worden opgenomen dat de aanbieder op enigerlei wijze ook in Nederland is gevestigd. Bij het uitvoeren van het kansspelbeleid zal bijzondere aandacht worden besteed aan het terugdringen van kansspelverslaving en wordt het bestaande beleid rond de mogelijkheden voor de afdracht aan sport en goede doelen niet aangetast.
  • De financiële ruimte voor het ministerie van Veiligheid en Justitie dient niet afhankelijk te zijn van de opbrengst van boetes en schikkingen. Daarom zal de begroting van Veiligheid en Justitie losgekoppeld worden van de opbrengst van boetes en beschikkingen. Die zullen worden gezien als bijdragen aan de algemene middelen.
  • Het beleid ten aanzien van harddrugs blijft ongewijzigd.
  • Er komt wet- en regelgeving ten behoeve van uniforme experimenten met het gedoogd telen van wiet voor recreatief gebruik. Het kabinet komt daartoe zo mogelijk binnen zes maanden met wetgeving. Deze experimenten wordt uitgevoerd in een aantal (middel)grote gemeenten (zes á tien). Doel van de experimenten is om te bezien of en hoe op kwaliteit gecontroleerde wiet gedecriminaliseerd aan de coffeeshops toegeleverd kan worden (gesloten coffeeshopketen) en wat de effecten hiervan zijn. De experimenten worden onafhankelijk geëvalueerd, waarna het kabinet beziet wat het te doen staat.

Rechtspraak

  • Bestaande juridische procedures zijn complex en voldoen niet altijd voor het oplossen van alledaagse problemen van burgers. Maatschappelijk effectieve rechtspraak vereist innovatieve wetgeving die ruimte biedt aan de rechter om te experimenteren met eenvoudige procedures die partijen bij elkaar brengen en conflicten niet op de spits drijven. Hiervoor komt wetgeving die experimenten mogelijk maakt. Er komen ook experimenten met buurtrechters die regelmatig in de buurt zitting hebben, een klein bedrag aan griffiekosten vergen, zich richten op juridisch eenvoudige zaken en bestaan uit (kanton)rechters die ook in de gewone rechtspraak werkzaam zijn of waren. De buurtrechters richten zich waar mogelijk op finale geschillenbeslechting. Daarnaast wordt de mogelijkheid onderzocht om buitenrechtelijke geschillenbeslechting zoals mediation uit te breiden. Met name in het civiele en bestuursrechtelijke domein kan mediation een goed alternatief zijn voor de gang naar de rechter. Vanzelfsprekend dient de toegang tot de rechter hierbij niet te worden beperkt. Als onderdeel van deze innovatieagenda wordt ook bezien of herstelrecht een prominentere rol kan krijgen. Bij alle innovaties is oog voor de consequenties voor de keten, waaronder de werkdruk.
  • Het stelsel van rechtsbijstand wordt herzien langs de lijnen van het rapport Commissie Herijking Rechtsbijstand en het tussenrapport van de commissie Evaluatie puntentoekenning rechtsbijstand binnen de bestaande budgettaire kaders. Er worden geen rechtsgebieden uitgezonderd waarvoor rechtsbijstand kan worden aangevraagd. Conform het advies van het eerstgenoemde rapport worden de Raad voor de Rechtsbijstand en het Juridisch Loket juridisch samengevoegd. Door deze intensieve samenwerking kan de eerstelijnshulp beter worden gestroomlijnd en kunnen meer eenvoudige zaken door het Juridisch Loket worden afgedaan. De griffierechten worden, behoudens indexatie, niet verhoogd.
  • Bestaande rechtbanken en gerechtshoven zullen in beginsel niet worden gesloten.

Berechting, straffen en maatregelen

  • De vrijheid van meningsuiting is een groot goed, beschermd in onze grondwet en in internationale verdragen. De vrijheid van meningsuiting is geen vrijbrief voor aanzetten tot haat en radicalisering. Daar trekken wij de grens. Het beledigen van mensen of groepen om wie of wat zij zijn (art 137c Sr) blijft daarom strafbaar. Om de ernst van het delict te benadrukken wordt de strafmaat voor haatzaaien (art 137d Sr) verdubbeld van 1 naar 2 jaar.
  • Onze democratische rechtsstaat moet weerbaarder worden gemaakt tegen radicale antidemocratische krachten. De verbodsbepalingen voor radicale organisaties die tot doel hebben om onze democratische rechtsstaat omver te werpen of af te schaffen, worden uitgebreid door aanpassing van art 2:20 BW.
  • Bij de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen zullen resocialisatie en reclassering steviger worden gepositioneerd. Er zal niet alleen worden geïnvesteerd in professionals, maar er komt ook meer aandacht en ruimte voor vrijwilligerswerk.
  • De inzet is de aangiftebereidheid te vergroten, het ophelderingspercentage te verhogen en de doorlooptijden in te korten. Hiermee wordt beoogd dat misdaad ook daadwerkelijk wordt bestraft. Er komt een duidelijke visie op de toekomst van het gevangeniswezen, met een solide personeelsbeleid. Aan de gevangeniscapaciteit wordt zo min mogelijk getornd. Mocht sluiting onverhoopt nodig zijn, dan zullen de gevangenissen gelegen buiten de Randstad zoveel mogelijk worden ontzien.
  • Het stelsel van voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt gewijzigd. Veroordeelden zullen niet meer automatisch in aanmerking komen om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. Daarnaast zal de periode waarin een veroordeelde via een voorwaardelijke invrijheidsstelling kan werken aan zijn resocialisatie worden gehandhaafd op een derde van de opgelegde straf, met een maximum van twee jaar. Om gedetineerden optimaal te kunnen voorbereiden op terugkeer in de samenleving blijft detentiefasering gehandhaafd.
  • De tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf staat onder druk. Indien zou blijken dat hieromtrent aanvullende wetgeving noodzakelijk is, zal die tot stand worden gebracht. Het waarborgen van de belangen van nabestaanden en slachtoffers is daarbij cruciaal.
  • Er wordt ingezet op een verplichting voor verdachten van zware gewelds- en zedenmisdrijven die in voorlopige hechtenis zitten, ter zitting te laten verschijnen. Dit draagt bij aan het voorkomen van recidive en vergroot het delictsbesef. De wens van het slachtoffer hieromtrent zal evenwel altijd centraal dienen te staan.
  • Mede afhankelijk van de uitkomsten van de Beleidsdoorlichting Justitiële Jeugdsancties, zal worden bezien welke mogelijkheden er zijn om de doelmatigheid en doeltreffendheid van jeugdsancties te verhogen. Herstelrecht krijgt in het jeugdrecht een meer prominente rol.
  • De positie van het slachtoffer blijft een speerpunt, in het bijzonder bij de herijking van het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast wordt ingezet op het wegnemen van knelpunten in de praktijk (doorverwijzingen, confrontaties, etcetera).
  • Er wordt ingezet op het beschermen van de privacy van burgers onderling. Het verspreiden van wraakporno grijpt diep in de persoonlijke levenssfeer in en wordt als een zelfstandig delict strafbaar gesteld.
  • Het wetsvoorstel Aanpassing bewaarplicht telecommunicatiegegevens wordt heroverwogen. Hierbij verkent het kabinet in hoeverre het Europese recht ruimte biedt voor een afgewogen bewaarplicht voor bepaalde telecommunicatiegegevens, in het bijzonder voor gegevens die strekken tot identificatie van de gebruiker van een communicatiedienst. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar waarborgen voor de persoonlijke levenssfeer van burgers, beperkte toegang, aangescherpt toezicht, noodzakelijkheid van bewaartermijnen, adequate bescherming en beveiliging van de gegevens en een rapportage- en evaluatieplicht. Alle nieuwe wetgeving waarin gegevensbewaring wordt geregeld ten behoeve van de opsporing van ernstige strafbare feiten zal worden voorzien van passende waarborgen. Ook zal die wetgeving na vijf jaar worden geëvalueerd, waarbij in ieder geval aandacht zal worden besteed aan de effectiviteit en de impact van die wetgeving.

Personen- en familierecht

  • Echtscheidingen die problematisch verlopen kunnen veel schade aanrichten bij ex-echtelieden en eventuele kinderen. Landelijk beleid ten aanzien van het voorkomen van “vechtscheidingen” zal gericht zijn op het wegnemen van knelpunten die zich voordoen bij het voorkomen van deze schade. Het belang van het kind dient te allen tijde voorop te staan, wat maakt dat het contact van het kind met de ouders en grootouders wordt bevorderd.
  • Sinds dit jaar is de beperkte gemeenschap van goederen het nieuwe wettelijke uitgangspunt voor personen die in het huwelijk treden. Bezien wordt op welke manier de noodzaak tot het maken van notariskosten kan worden weggenomen voor paren die in algehele gemeenschap van goederen wensen te trouwen.
  • De staatscommissie herijking ouderschap heeft aanbevelingen gedaan op het terrein van juridisch meer-ouderschap, gezag en draagmoederschap. De onderzoeken zoals aanbevolen door de staatscommissie zullen worden uitgevoerd. Het gaat hierbij onder meer om de fiscale consequenties, nationaliteitsrecht, vreemdelingenrecht, erfrecht, onderhoudsverplichtingen en naamrecht. Het is vervolgens aan kabinet en Kamer om te bezien op welke wijze daaraan een vervolg moet worden gegeven. Bij wetgeving die hieruit volgt is het belang van het kind leidend.
  • Er wordt nader onderzoek verricht naar een verdere herijking van het familierecht. Daarbij gaat het onder meer om adoptie, echtscheiding, alimentatie en de positie van grootouders. Ook hierbij is het belang van het kind leidend.
  • Het kabinet bereidt in samenhang voorstellen voor ter modernisering van het nationaliteitsrecht. Het betreft een verruiming van de mogelijkheid van het bezit van meerdere nationaliteiten voor aankomende eerste generatie emigranten en immigranten. Gelijktijdig komt er voor volgende generaties een verplicht keuzemoment dat daadwerkelijk leidt tot het behoud van niet meer dan één nationaliteit.

Bestuur en Koninkrijksrelaties

Een goed functionerend openbaar bestuur weet zich aan te passen aan maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Aanpassing aan de digitale samenleving is niet alleen noodzakelijk, het biedt ook mogelijkheden voor een betere dienstverlening.
In de uitvoering van belangrijke overheidstaken spelen gemeenten en provincies een steeds belangrijkere rol. Krimpregio’s en grootstedelijke gebieden hebben ieder hun eigen aandachtspunten. In gezamenlijke programmatische afspraken met provincies en gemeenten moet hiervoor ruimte zijn, naast nationale opgaven waar we samen voor staan. In het gemeente- en provinciefonds komt extra geld beschikbaar voor deze taken.

Vernieuwing openbaar bestuur en ICT-dienstverlening

  • De behandeling van het initiatiefvoorstel tot grondwetsherziening in tweede lezing inzake de deconstitutionalisering van de benoeming van de burgemeester en de Commissaris van de Koning wordt voortgezet.
  • De Wet Gemeenschappelijke regelingen (Wgr) wordt aangepast om de politieke verantwoording over gemeentelijke samenwerking te verbeteren. Besluitvorming in een gemeenschappelijke regeling moet transparant zijn en betrokken gemeenteraden moeten hun controlerende rol beter kunnen uitvoeren en zo nodig kunnen ingrijpen.
  • Veel kleinere gemeenten zijn voor belangrijke taken die de directe levenssfeer van mensen raken in sterke mate afhankelijk geworden van regionale samenwerking op grond van de Wet Gemeenschappelijke regelingen (Wgr), waarbij de democratische controle door gemeenteraden op afstand staat. Op verschillende plaatsen hebben gemeenten daarom in samenspraak met de provincie het initiatief genomen tot gemeentelijke herindeling. Het kabinet ondersteunt die beweging. Blauwdrukken van bovenaf werken hiervoor niet, maar het proces helemaal van onderop laten komen levert ook niet altijd een optimaal resultaat op. Een proces van herindeling is gewenst voor gemeenten die langjarig en in hoge mate afhankelijk zijn van gemeenschappelijke regelingen voor essentiële taken. Het is dan aan de provincie de herindelingsprocedure op basis van de Wet Algemene regels herindeling (Wet Arhi) te starten.
  • Naast de reeds genoemde ambitie om tot bestuurlijke afspraken te komen met provincies en gemeenten wordt voor stedelijke regio’s de systematiek met citydeals, als onderdeel van de Agenda Stad, voortgezet.
  • Om een adequaat voorzieningenniveau op peil te houden geven we ruimte aan experimenten in krimpregio’s, bijvoorbeeld voor de clustering van de voorzieningen.
  • In deze kabinetsperiode wordt in totaal 900 miljoen euro gereserveerd voor de aanpak van regionale knelpunten, waaronder nucleaire problematiek, ESTEC, Zeeland, Eindhoven, Rotterdam-Zuid en de BES-eilanden.
  • Het kabinet biedt ruimte aan initiatieven van burgers en verenigingen in de samenleving. In overleg met gemeenten willen wij daarom via een Right to challenge-regeling burgers en lokale verenigingen de mogelijkheid geven om een alternatief voorstel in te dienen voor de uitvoering van collectieve voorzieningen in hun directe omgeving. Daarbij gaat het om zaken als het onderhoud van een park, het beheer van sportvelden of andere maatschappelijke voorzieningen. Daarnaast gaan we samen met enkele gemeenten experimenteren met een recht op overname, waarbij lokale verenigingen of buurtbewoners het eerste recht krijgen om maatschappelijke voorzieningen over te nemen en de bijbehorende functie voort te zetten.
  • We ondersteunen de versterking van de voorbereiding, opleiding en toerusting van de leden van gemeenteraden en Provinciale Staten.
  • Het kabinet hecht eraan dat de overheid transparant en open is. Er is een initiatiefvoorstel Open Overheid aanhangig. Er wordt onderzocht hoe de verruiming van openheid gestalte kan krijgen zonder hoge kosten voor de organisatie en uitvoering. Het kabinet treedt daartoe in overleg met de initiatiefnemers.
  • De overheid beschikt over veel algemene, openbare informatie. Deze data worden goed vindbaar en toegankelijk gemaakt, in de vorm van open data.
  • Het kabinet ontwikkelt een ambitieuze, brede agenda voor de verdere digitalisering van het openbaar bestuur op verschillende niveaus. Onderdeel van de agenda wordt dat het Rijk voortvarender dan voorheen beslist welke producten en diensten zij zelf ontwikkelt en welke zij door marktpartijen laat ontwikkelen. Bij nieuwe initiatieven wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van opgedane ervaringen met vergelijkbare projecten. Om falende ICT-projecten en verspilling van belastinggeld te voorkomen worden grote ICT-projecten standaard getoetst door het Bureau ICT-Toetsing (BIT).
  • Overheidscommunicatie die nu nog fysiek plaatsvindt, moet in de toekomst ook digitaal kunnen: veilig, snel en goedkoop. De elektronische dienstverlening via mijnoverheid.nl wordt verbeterd. De dienstverlening wordt meer servicegericht, er komt een machtigingsfunctie en mijnoverheid.nl wordt in staat gesteld om pushberichten te versturen om proactief te waarschuwen. Mensen die niet elektronisch kunnen communiceren moeten dat ook op een andere manier kunnen blijven doen. Daarom blijft er een keuzemogelijkheid om per post met de overheid te communiceren.
  • De Basisregistratie Personen (BRP) wordt gemoderniseerd en zal de email-adressen van burgers bevatten.Gegevens van burgers in basisadministraties en andere privacygevoelige informatie wordt altijd versleuteld opgeslagen en de DigiD wordt veiliger gemaakt.
  • Ter bevordering van de privacy wordt de eigen regie op persoonsgegevens vergroot. Gebruikers van overheidsdiensten krijgen de mogelijkheid zelf maatschappelijk relevante instanties en organisaties aan te wijzen waaraan een beperkt aantal persoonsgegevens automatisch kan worden verstrekt. Voor kerkelijke organisaties gaat, om onoverkomelijke uitvoeringsproblemen te voorkomen een overgangsregeling gelden. Wie nu geregistreerd staat kan kiezen voor een opt-out. Nieuwe inschrijvingen vallen onder de nieuwe regels.

Kiesstelsel

  • De Staatscommissie Parlementair stelsel adviseert over de toekomstbestendigheid van het parlementair stelsel. De Staatscommissie wordt ook gevraagd om advies uit te brengen over opties voor een wijziging van het kiesstelsel voor de Tweede Kamer, mede in het licht van de regionale functie van kiesstelsels in de omringende landen en over het initiatiefvoorstel tot grondwetsherziening in tweede lezing inzake artikel 120 Grondwet, mede in relatie tot de positie van de Eerste Kamer.
  • Het stemproces wordt aangepast zodat Nederlanders op Bonaire, St. Eustatius, Saba en in het buitenland eenvoudiger hun kiesrecht, ook in relatie tot de verkiezing van de Eerste Kamer, kunnen uitoefenen. Ook de toegankelijkheid van stemlokalen voor mensen met een beperking verdient aandacht.
  • Het raadgevend referendum is enige jaren geleden geïntroduceerd als opmaat naar een correctief bindend referendum. De politieke steun voor het correctief bindend referendum is sindsdien afgebrokkeld en is daarmee als beoogd einddoel voorlopig uit zicht. Het nationaal raadgevend referendum heeft als tussenstap niet gebracht wat ervan werd verwacht, onder meer door een controverse over de wijze van aanvragen en verschillende interpretaties van de uitslag. Het kabinet wil daarom een pas op de plaats maken. De Wet raadgevend referendum wordt ingetrokken.

Goed overheidspersoneel

  • Voor een goede doorstroom tussen publieke en private banen, is het van belang dat werknemers bij bedrijven en de overheid gelijk worden behandeld. We gaan door met de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren.
  • Daarnaast is het voor het functioneren van de overheid goed dat deze op belangrijke terreinen voldoende expertise in huis heeft. Het beloningsniveau bij de overheid moet zodanig zijn dat ook hoogwaardige en schaarse specialisten, bijvoorbeeld met expertise op gebied van ICT, financiën of inkoop, in dienst kunnen worden genomen.

Koninkrijksrelaties

  • Nederland is door een lang gedeelde geschiedenis verbonden met de Koninkrijksdelen in het Caribisch gebied. Onze onderlinge verbondenheid bleek onlangs weer toen de Bovenwindse eilanden getroffen werden door een orkaan. Onze verbondenheid vraagt om een constructieve samenwerking met Caribisch Nederland en de autonome landen binnen ons Koninkrijk. De onzekere politieke situatie in sommige buurlanden in Zuid-Amerika maakt samenwerking extra noodzakelijk. Samenwerking in de Caribische regio, met de Europese Unie en met internationale organisaties maakt een verdere positieve ontwikkeling van de Koninkrijksrelaties mogelijk. Het Koninkrijksverband schept ook verantwoordelijkheid, in het bijzonder voor het waarborgen van integriteit van bestuur en van effectieve rechtshandhaving en grensbewaking. De raad van ministers van het Koninkrijk zal hier op basis van het Statuut voor het Koninkrijk op toe zien.
  • Het Nederlandse deel van het budget voor de Kustwacht gaat over naar het ministerie van Defensie en wordt zodanig aangepast dat een goede taakuitoefening mogelijk is. Hiervoor is 10 miljoen euro per jaar beschikbaar.
  • Voor de inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid. Op de eilanden ligt de prioriteit bij het verbeteren van het economisch perspectief, onder meer door versterking van de infrastructuur en het terugdringen van armoede. Het kabinet is bereid extra te investeren in de eilanden onder de voorwaarde dat goed bestuur en financiële verantwoording op een afdoende niveau is geborgd. Waar Nederland investeringen door de eilanden ondersteunt moet meer dan nu in een reëel instandhoudingsbudget worden voorzien. Het ministerie van BZK krijgt een sterkere coördinerende taak inclusief bijbehorend budget.

Onderwijs en onderzoek 

Goed onderwijs brengt het beste in mensen naar boven, voorkomt en verkleint achterstanden en helpt talenten zich optimaal te ontwikkelen. Goed onderwijs legt de basis voor een gezonde en succesvolle samenleving. We blijven daarom investeren in het verder verbeteren van ons onderwijs en onderzoek. En in de mensen die erin werken. We geven hen ruimte en verantwoordelijkheid. De voornaamste ambities van dit kabinet liggen in de bestrijding van kansenongelijkheid en de stimulering van talent,  goede docenten met een sterke positie, toponderzoek en krachtig beroepsonderwijs.

Kansen en talenten

  • We trekken 170 miljoen euro uit voor versterking van de vroeg- en voorschoolse educatie. Daarmee realiseren we een aanbod van 16 uur per week voor achterstandsleerlingen.
  • De wettelijke basis voor het verplicht afnemen van een Diagnostische Tussentijdse Toets in het voortgezet onderwijs zal worden geschrapt.
  • Sommige kinderen gedijen het beste in een brede of verlengde brugklas waar de uiteindelijke selectie nog even wordt uitgesteld, andere zijn meer op hun plek in een categorale brugklas. Daarom wil het kabinet dat er voor alle ouders en leerlingen wat te kiezen valt. Scholen krijgen de opdracht om op regionaal niveau een zo dekkend mogelijk aanbod van verschillende typen brugklassen aan te bieden, waarbij categorale scholen samenwerken met scholengemeenschappen voor soepele overgangen van leerlingen.
  • Sommige kinderen zijn gebaat bij een meer geleidelijke overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. De 10-14-scholen, een samenwerkingsvorm tussen basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs, voorzien in zo’n behoefte. Voor dergelijke vormen van samenwerking komt meer experimentele ruimte.
  • Samen met onderwijzers, leerlingen, ouders, het vervolgonderwijs en het beroepenveld wordt de afgesproken herziening van het onderwijscurriculum doorgezet. Deze wordt in 2019 wettelijk verankerd. Hiermee wordt het funderend onderwijs voor vakken als Nederlands, rekenen en wiskunde meer toekomstbestendig gemaakt en komt er meer aandacht voor digitale geletterdheid en praktische vaardigheden. Ook worden de kerndoelen aangescherpt voor techniek, burgerschap en seksuele diversiteit.
  • We willen het rekenonderwijs versterken en verbeteren. In het kader van de curriculumherziening worden de referentieniveaus tegen het licht gehouden. In het voortgezet onderwijs komt een alternatief voor de rekentoets. Dit alternatief treedt uiterlijk in het schooljaar 2019-2020 in werking en wordt daarmee voor alle leerlingen op alle niveaus een geïntegreerd onderdeel van het examen. In de tussentijd telt de rekentoets niet langer mee in het voortgezet onderwijs. Wel wordt deze afgenomen in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs tot het alternatief er is. Rekenonderwijs in het mbo wordt beroepsgericht zodra het alternatief voor de rekentoets in het vmbo is ingevoerd.
  • Het kabinet maakt voor leerlingen in het voortgezet onderwijs experimenten mogelijk om meerdere vakken op een hoger niveau af te ronden en daarmee toegang te krijgen tot specifieke vervolgopleidingen, mits zij voldoen aan de selectiecriteria van desbetreffende vervolgopleidingen. Het kabinet zal de gevolgen voor het civiel effect en mogelijk strategisch gedrag monitoren. Daarnaast start het kabinet een onderzoek naar de voor- en nadelen van een brede invoering van diploma’s met vakken op verschillende niveaus in combinatie met invoering van een brede selectie aan de poort bij vervolgopleidingen.
  • Het kabinet zet de ingezette systematiek van passend onderwijs voort. Wel onderzoeken we op welke wijze het leerrecht van kinderen wettelijk kan worden vastgelegd. Ook zal het kabinet, mede met het oog op leerlingen met een ernstig meervoudige handicap, bezien hoe de zorg voor leerlingen binnen een beperkt aantal onderwijsinstellingen met complexere casuïstiek direct uit de middelen voor zorg in onderwijstijd kan worden gefinancierd. De zorg thuis dient daarbij adequaat te blijven. Om ervoor te zorgen dat middelen voor passend onderwijs ook echt in de klas terecht komen, komt er onafhankelijk toezicht op de samenwerkingsverbanden.
  • Beperkt en begaafd, ieder kind verdient onderwijs om zichzelf maximaal te ontplooien, ook als dat extra zorg of ondersteuning vraagt. Het kabinet wil dat ouders en scholen in een gelijkwaardig gesprek een passende aanpak afspreken, daarbij ondersteund door de mogelijkheid van een onderwijsconsulent. Om te voorkomen dat kinderen tussen wal en schip vallen, willen we het aantal thuiszitters fors beperken en verzuim eerder signaleren en aanpakken. Alle samenwerkingsverbanden zullen daartoe een wettelijk verplichte doorzettingsmacht beleggen.
  • Het budget voor het onderwijsachterstandenbeleid wordt verhoogd met 15 miljoen euro per jaar en de verdeling wordt geactualiseerd.
  • Tegelijkertijd wordt hetzelfde bedrag geïntensiveerd op het onderwijs voor hoogbegaafde
  • Scholen, kinderen en jongeren floreren bij ouderbetrokkenheid. Daarom willen we de samenwerking tussen school en ouders versterken.
  • Om jongeren in staat te stellen een bijdrage te leveren aan onze samenleving wordt de mogelijkheid van een maatschappelijke diensttijd ingevoerd (van maximaal 6 maanden). Deze dienst kan tegen bescheiden vergoeding vrijwillig worden ingevuld door jongeren. Samen met maatschappelijke organisaties, gemeenten en provincies wordt deze maatschappelijke diensttijd opgezet. Maatschappelijke organisaties kunnen ieder jaar bij mede-overheden projecten voorstellen die voor deze diensttijd in aanmerking komen. Belangrijk aandachtspunt hierbij is het zoveel mogelijk ontzorgen van deelnemende organisaties. Voor de maatschappelijke diensttijd is budget beschikbaar dat oploopt tot 100 miljoen euro per jaar.
  • Het vervullen van de maatschappelijke dienst geeft een diplomasupplement als getuigschrift van maatschappelijke betrokkenheid. Bij een sollicitatie naar een functie bij de overheid geldt het diplomasupplement als een pré. Met het bedrijfsleven worden afspraken gemaakt om hetzelfde te doen.
  • Het kabinet zal bezien hoe een meer verplichtende variant van de maatschappelijke diensttijd een rol kan spelen in de verlengde kwalificatieplicht.
  • Het kabinet heeft het voornemen de kwalificatieplicht te verhogen naar 21 jaar. Er worden pilots uitgevoerd in de grote steden.
  • Het kabinet gaat verder met het beleid om laaggeletterdheid terug te dringen. Het budget hiervoor wordt met 5 miljoen per jaar verhoogd.

Emancipatie en LHBTI

  • In Nederland is iedereen gelijkwaardig en heb je de vrijheid om te houden van wie je wilt en om zichtbaar jezelf te kunnen zijn. Waar die vrijheid wordt beknot, er gediscrimineerd wordt of zelfs mensen niet veilig zijn, treedt de overheid actief op.
  • Emancipatie en het beschermen van onze waarden hebben continu onze aandacht nodig. Zo sloten acht politieke partijen het regenboogakkoord. De bevordering van emancipatie van LHBTI en mensen met een beperking is belangrijk en door verschillende maatschappelijke groeperingen onder de aandacht gebracht. Er worden verschillende maatregelen tegen discriminatie genomen zoals de aanvulling van artikel 1 van de Grondwet tegen discriminatie op grond van seksuele gerichtheid en een beperking.
  • De behandeling van het initiatiefvoorstel tot aanvulling van de Algemene wet gelijke behandeling ter verduidelijking van de rechtspositie van transgender personen en intersekse personen wordt voortgezet en de discriminatieverboden in het Wetboek van Strafrecht blijven ongewijzigd. Onnodige geslachtsregistratie wordt waar mogelijk beperkt. In het onderwijs, onder meer bij de opleiding van docenten en in het MBO, wordt de positie van LHBTI verbeterd. In het buitenlands beleid wordt de aandacht voor de positie van LHBTI en de seksuele en reproductieve rechten voortgezet.

Ruimte, vertrouwen en verantwoording

  • Leerlingen, ouders en leraren willen dat onderwijsmiddelen optimaal bijdragen aan de kwaliteit van onderwijs. Het kabinet vraagt daarom de Onderwijsraad en de Algemene Rekenkamer te adviseren of de definitie van een doelmatige besteding van onderwijsmiddelen scherper kan worden geformuleerd. Dit zou de werking van de lumpsum kunnen verbeteren, en tegelijkertijd excessen kunnen voorkomen. Om er bovendien voor te zorgen dat extra geld gebruikt wordt waarvoor het bedoeld is, houdt het kabinet het primair- en voortgezet onderwijs aan bestuurlijke afspraken.
  • Het toezicht is vernieuwd. De inspectie toetst in de toekomst niet alleen op de deugdelijkheidseisen maar stimuleert ook dat scholen zich continu verbeteren. Dit komt tot uitdrukking in de waardering ‘goed’ of het toekennen van het predicaat ‘excellent’. Daarbij krijgt de onderwijsinspectie een discretionaire bevoegdheid om bij de beoordeling van scholen meer rekening te houden met de eventuele aanwezigheid van bovenmatig veel zorgleerlingen. Dit doet meer recht aan scholen die zich extra inspannen voor passend onderwijs.
  • Er is een zorg dat het voor scholen mogelijk is om de burgerschapsopdracht niet uit te voeren zoals die bedoeld is. De burgerschapsopdracht in de wet wordt daartoe verduidelijkt, zodat de inspectie daar scherper op kan toetsen en handhaven. Het doel is en blijft dat een school in al haar uitingen handelt in lijn met de democratische rechtstaat.
  • In de jaarverslagen worden doelstellingen uit toekomstige bestuurlijke afspraken inzichtelijk gemaakt. Ook vooraf moet de verantwoording beter, om dat te bereiken krijgt de medezeggenschapsraad in het primair en voortgezet onderwijs instemmingsrecht over de hoofdlijnen van de begroting.
  • Uit de pilot regelluwe scholen blijkt dat sommige landelijke regels probleemloos geschrapt kunnen worden. Dat gaat het kabinet doen. In het verlengde hiervan stimuleert het kabinet de sector om de eigen administratieve regeldruk terug te dringen.
  • De afspraken uit de sectorakkoorden worden gehandhaafd, met uitzondering van de landelijke norm om zittenblijven bij kleuters terug te dringen.
  • Binnen het leerlingvolgsysteem zullen er gedurende de kleuterperiode geen toetsen worden afgenomen.
  • Het kabinet gaat in overleg met het onderwijsveld met als inzet de eindtoets in het primair onderwijs te vervroegen en/of het eindadvies later uit te brengen. Daarmee komt, voorafgaand aan het eindadvies, alle informatie beschikbaar. Uitgangspunt blijft dat de leraar zijn professionele autonomie behoudt, maar op basis van meer informatie tot een oordeel kan komen.
  • De cascadebekostiging in het MBO wordt (budgetneutraal) afgeschaft wanneer nieuwe kwaliteitsafspraken zijn gemaakt, onder andere om het aantal Beroeps-Begeleidende-Leerweg-plaatsen te laten toenemen.

Een sterke docent

  • We maken structureel 270 miljoen euro vrij voor modernisering van de cao primair onderwijs. We verbeteren de arbeidsvoorwaarden voor docenten in combinatie met het normaliseren van de bovenwettelijke regelingen.
  • Ook komt er structureel 450 miljoen euro beschikbaar om de werkdruk in het primair onderwijs te verlagen. Taakverlichting kan plaatsvinden door aanstelling van conciërges en ander onderwijsondersteunend personeel en door klassenverkleining.
  • We differentiëren in de lerarenopleidingen. Er komen specialisaties die zich richten op jongere en oudere (tot en met de onderbouw in het vmbo) kinderen en op vakgericht lesgeven in het beroepsonderwijs. Het beroep van onderwijzer wordt hierdoor aantrekkelijker, zowel voor mannen als voor vrouwen.
  • Om het lerarenregister tot een succes te maken moet het straks van, voor en door de docent zijn. Dit zal voor het kabinet een harde voorwaarde zijn in de verdere uitwerking. Dit biedt een kans om de beroepsgroep te versterken en bekwaamheid mee te laten tellen. Lesontwikkeling, intervisie en evaluatie van lessen krijgen ook erkenning in het lerarenregister. Dat draagt bij aan de kwaliteit van onderwijs.
  • In het primair onderwijs worden tijdelijke contracten voor invalkrachten in verband met vervanging wegens ziekte uitgezonderd van de ketenbepaling.

Krimp en kleine scholen

  • Met de kleine-scholentoeslag blijft het kabinet inzetten op een pluriform scholenaanbod en thuisnabij onderwijs. Hiervoor komt 20 miljoen euro per jaar extra beschikbaar.
  • De fusietoets in het basisonderwijs wordt geschrapt. In het voortgezet onderwijs wordt de fusietoets bij krimpproblematiek geschrapt.
  • De fusie-effectrapportage en de inspraak van de medezeggenschap blijven behouden.

Vrijheid van onderwijs

  • De vrijheid van onderwijs biedt ouders en leerlingen de mogelijkheid om een school te kiezen die past bij hun overtuiging. Dit kabinet vergroot de vrijheid van onderwijs; het stichten van scholen op basis van de belangstelling van ouders en leerlingen wordt vergemakkelijkt, ook als zij niet behoren tot een bestaande richting. Deze modernisering beoogt de vrijheid van onderwijs te vergroten, niet de vrijheid van richting te beperken. Daarbij worden de plannen van nieuwe scholen voortaan vooraf getoetst op wettelijke deugdelijkheidseisen (onder andere ten aanzien van leerlingen die extra ondersteuning behoeven, de afstemming van het onderwijs op het niveau van de leerling en de bestuurlijke inrichting) en de wettelijke burgerschapsopdracht (zoals het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie). De deugdelijkheidseisen worden beschreven in objectieve en proportionele eisen.
  • Thuisonderwijs dient te voldoen aan daarop toegesneden eisen voor kwaliteit, bekwaamheid, burgerschap en veiligheid. Dit wordt wettelijk geregeld. Hierop wordt toegezien door een gespecialiseerd onderdeel van de Onderwijsinspectie. Het toelatingsbeleid van scholen en het leerlingenvervoer op basis van denominatie blijven ongewijzigd.

Groen onderwijs

  • Het groen onderwijs zal op dezelfde wijze per deelnemer gefinancierd worden als het reguliere onderwijs. Daar past bij dat het groen onderwijs als beleidsterrein wordt ondergebracht bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De kenmerkende hechte samenwerking tussen overheid, onderwijs en bedrijfsleven blijft gewaarborgd. De oude taakstelling van 10 miljoen euro op het groen onderwijs wordt teruggedraaid.

Krachtig beroepsonderwijs

  • We stellen structureel 100 miljoen euro per jaar beschikbaar voor een dekkend aanbod en versterking van de kwaliteit van het techniekonderwijs op het VMBO.
  • We willen het succes van beroepsopgeleide jongeren vergroten door afspraken te maken om de overgang van VMBO naar MBO en van MBO naar HBO te verbeteren en om de mogelijkheid voor leerlingen te scheppen om niveau 1 of 2 binnen het VMBO af te ronden.
  • Praktijkonderwijs is een afzonderlijke en volwaardige schoolsoort. Dit wordt tot uitdrukking gebracht doordat steeds meer leerlingen na afronding een tastbaar bewijs krijgen van hetgeen ze hebben geleerd. Samenwerking met het mbo wordt gestimuleerd om te bevorderen dat meer leerlingen uit het praktijkonderwijs doorstromen naar het mbo en de arbeidsmarkt.
  • MBO-instellingen krijgen de mogelijkheid om aan studenten die aan een entree- of niveau 2-opleiding niet hun diploma halen, een vakcertificaat uit te reiken dat laat zien wat een student heeft geleerd. Studenten die een vakcertificaat hebben ontvangen, moeten op een later moment de gelegenheid hebben om alsnog een diploma te behalen. Instellingen dienen diplomagericht onderwijs te blijven verzorgen en ontvangen voor het uitreiken van een vakcertificaat daarom geen diplomabekostiging. Na vier jaar vindt een evaluatie plaats en wordt over voortzetting besloten.
  • Het experiment vraagfinanciering wordt uitgebreid naar het mbo.
  • In het mbo worden de eisen aan het regionaal arbeidsmarktperspectief aangescherpt en wordt meegenomen of een opleiding voldoende aansluit op het beroepenveld. Daarnaast wordt de macrodoelmatigheid van bestaande opleidingen in het hoger onderwijs getoetst. Er komen instrumenten om in te grijpen bij opleidingen die studenten onvoldoende voorbereiden op de arbeidsmarkt.
  • We hechten aan meer aandacht voor de uitvoering van de burgerschapsopdracht in het mbo.
  • Het kabinet onderzoekt samen met het onderwijs hoe de huidige beperkende werking van de kwalificatiedossiers voor innovatie en regionale invulling van het onderwijsprogramma van mbo-opleidingen verbeterd kan worden en de lastendruk verminderd. Hierbij wordt ook de mogelijkheid onderzocht van een vorm van opleidingsaccreditatie.

Hoger onderwijs en onderzoek

  • We halveren het collegegeld voor het eerste jaar van het hoger onderwijs (HBO/WO) met ingang van het collegejaar 2018/19.
  • Voor de (academische) PABO’s halveren we het collegegeld voor de eerste twee jaar. Hiermee maken we studeren aan de (academische) PABO extra aantrekkelijk.
  • Bij het studievoorschot wordt in de toekomst aangesloten bij de 10-jaarsrente.
  • Het kabinet ziet scherper toe op de naleving van de wet dat opleidingen alleen Engelstalig zijn wanneer dit een toegevoegde waarde heeft, de kwaliteit van voldoende niveau is en er in voldoende mate Nederlandstalige opleidingen zijn.
  • Er komt een internationaliseringsaanpak die het voor zoveel mogelijk studenten mogelijk maakt een studie te volgen in het buitenland. We versterken de aantrekkelijkheid van het Nederlands onderwijs voor buitenlandse studenten, met behoud van de toegankelijkheid.
  • In deze kabinetsperiode wordt de bekostigingssystematiek voor het hoger onderwijs herzien, met daarbij specifieke aandacht voor technische opleidingen. Het budget voor fundamenteel onderzoek wordt stapsgewijs verhoogd tot jaarlijks 200 miljoen structureel vanaf 2020. Eenzelfde intensivering vindt plaats op het budget voor toegepast onderzoek en innovatie. Ten slotte stellen we twee maal 50 miljoen beschikbaar voor de onderzoekinfrastructuur.
  • De financiering van het onderzoek aan universiteiten wordt sterker gekoppeld aan onderzoeksinspanningen, wetenschappelijke kwaliteit en maatschappelijke impact. Daarbij moet voldoende ruimte zijn en blijven voor vrij onderzoek. Speciale aandacht gaat uit naar technische wetenschappen en onderzoeksgroepen die te maken hebben met hoge kosten. NWO geeft prioriteit aan fundamenteel onderzoek in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda en de Topsectoren, met de nieuwe focus. De vrije competitie blijft in stand.
  • Om de administratieve last voor wetenschappers te verlagen, worden de experimenten bij NWO met innovatieve beoordelingssystematieken voortgezet.
  • ‘Open science’ en ‘open access’ worden de norm in wetenschappelijk onderzoek.
  • Start-ups en publiek-private samenwerking met het midden- en kleinbedrijf worden gestimuleerd.
  • De openstaande taakstelling op de OCW-begroting wordt teruggedraaid. Structureel wordt de taakstelling gedekt met besparingen als gevolg van doelmatiger onderwijs.
  • De middelen die vrijkomen door het studievoorschot worden gekoppeld aan kwaliteitsafspraken op instellingsniveau. Instellingen krijgen de ruimte om daartoe samen met partners zelf doelstellingen en indicatoren op te stellen. Deze kwaliteitsafspraken moeten wel passen binnen de doelen van de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en worden onafhankelijk getoetst. Bij afloop van de kwaliteitsafspraken wordt door OCW vastgesteld of de doelen behaald zijn. Indien de afspraken niet nagekomen zijn, is het uitgangspunt dat wordt gekort op toekomstige middelen.
  • Naast de legitieme redenen voor selectie, zijn er ook zorgen over de gevolgen voor de toegankelijkheid van de masterfase in het hoger onderwijs. Het kabinet neemt deze zorgen serieus. De mogelijkheid voor selectie blijft bestaan, maar voor de toegang tot de masterfase wordt er een kader ontwikkeld, met inachtneming van het werk van de taskforce ‘toelating master’. Hierin worden in ieder geval twee zaken beter verankerd: de methodes voor selectie moeten transparant en eerlijk zijn en de toegankelijkheid van de masterfase moet gewaarborgd zijn, met als vertrekpunt dat tenminste iedere afgestudeerde bachelorstudent het recht krijgt door te stromen naar minstens één masteropleiding binnen het eigen vakgebied.
  • Het instellen van een numerus fixus voor een bacheloropleiding vanwege beperkte onderwijscapaciteit moet adequaat onderbouwd worden. Zo niet, dan kan de minister het besluit blokkeren.

Zorg

Zorg gaat iedereen aan. Iedere dag dragen duizenden zorgprofessionals met hun kennis en toewijding bij aan de kwaliteit van leven van mensen en hun omgeving. Niet voor niets behoort onze zorg tot de beste van Europa. Tegelijkertijd maken veel mensen zich zorgen of de zorg die zij nodig hebben er wel is en of zij die kunnen betalen. Daar maken we werk van. Nieuwe hervormingen zijn niet nodig, wel verbeteringen. Uitgangspunt is goede zorg voor iedereen op de juiste plek op het juiste moment. Daarvoor investeren we bijvoorbeeld ruim 2 miljard euro in de ouderenzorg. Daarnaast komen er maatregelen en geld voor preventie en gezondheidsbevordering, innovatie, en meer aandacht voor de kwaliteit van leven.

Goede zorg voor ouderen

  • We worden allemaal ouder en dat doen we het liefst in onze eigen omgeving. Mensen moeten kunnen vertrouwen op goede zorg thuis en steun voor hun mantelzorgers. Het gaat op veel plaatsen goed, maar niet overal. We monitoren de uitvoering, met aandacht voor duidelijkheid over wat maatschappelijke ondersteuning inhoudt, de kwaliteit van keukentafelgesprekken, onafhankelijke cliëntenondersteuning en procedures voor klachten en bezwaren. Op basis van de evaluatie van de Wmo pakken we de knelpunten gericht aan. Verder nemen we ook het manifest “Waardig ouder worden” ter hand. Hiervoor is deze kabinetsperiode 180 miljoen euro beschikbaar, daarna 30 miljoen euro per jaar.
  • Mantelzorgers zijn van onschatbare waarde. Voor velen wordt de druk steeds hoger. We maken afspraken met gemeenten over ondersteuning van mantelzorgers, zoals respijtzorg en dagopvang, goede communicatie over het aanbod en de gebruikelijke hulp.
  • Met een coalitie van gemeenten en maatschappelijke organisaties komen we tot een uitwisseling van effectieve lokale aanpakken van eenzaamheid.
  • Wanneer het thuis niet meer gaat, moeten ouderen kunnen rekenen op goede zorg in een verpleeghuis. Er is structureel 2,1 miljard euro beschikbaar om te voldoen aan de nieuwe normen voor goede zorg . De agenda voor de arbeidsmarkt voeren we met ambitie uit, zodat nu en in de toekomst voldoende goed opgeleide zorgprofessionals beschikbaar zijn. De inzet op kwaliteitsverbetering vraagt ook om een andere manier van werken en organiseren: kleinschalig, vraaggericht, innovatief, met minder regels en meer vertrouwen in de zorgprofessionals. Dit moet daadwerkelijk leiden tot een aantoonbare verbetering van de kwaliteit. Bestuurders worden daarop beoordeeld.
  • Om de schaarse capaciteit aan zorgpersoneel optimaal te benutten voor zorg en aandacht voor cliënten en patiënten, is het wenselijk digitaal ondersteunde zorg gericht in te zetten en de verspreiding van innovatieve werkwijzen (e-health) te bevorderen, zowel thuis als in het verpleeghuis. Deze kabinetsperiode is hiervoor 40 miljoen euro beschikbaar, daarna 5 miljoen per jaar.
  • De nog openstaande taakstelling (Wlz) ter grootte van 188 miljoen euro wordt structureel teruggedraaid.

Preventie en gezondheidsbevordering

  • Deze kabinetsperiode is er voor preventie en gezondheidsbevordering 170 miljoen euro beschikbaar, daarna 20 miljoen per jaar.
  • Er wordt een nationaal preventieakkoord gesloten met patiëntenorganisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, sportverenigingen en -bonden, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De focus van het akkoord moet liggen op de aanpak van roken en overgewicht.
  • We steunen de doelstelling om te komen tot een rookvrije generatie en verhogen de tabaksaccijns. Problematisch alcoholgebruik wordt aangepakt.
  • De maatregelen die we nemen op het gebied van preventie moeten bewezen effectief zijn. We bevorderen dat bewezen effectieve interventies, bijvoorbeeld de inzet van specifieke vaccins en voeding alsook bepaalde leefstijlinterventies, een plek krijgen in medische opleidingen en richtlijnen. Daar waar kennis over die effectiviteit nog ontbreekt, laten we aanvullend onderzoek doen, ook met behulp van de informatie die beschikbaar is in biobanken.
  • We zetten in op de preventie van en ondersteuning bij onbedoelde (tiener)zwangerschappen, aan de hand van de agenda opgesteld door een brede coalitie van veldpartijen. Er wordt een landelijk aanbod voor individuele ondersteuning en keuzehulp ingericht, met landelijke financiering.
  • We ondersteunen het voorkomen van depressies en zelfdoding, waarbij we speciaal aandacht hebben voor jongeren in de schoolsetting en lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LHBTI).

Curatieve zorg

  • We zetten in op de beweging van meer zorg van de tweede naar de eerste lijn en het voorkomen van onnodige zorg. Dit leidt tot een afname van het beroep op de tweedelijnszorg.
  • Het belang van zorgprofessionals moet gericht zijn op de uitkomst van de zorg in plaats van omzet. Dit vraagt om een stevige inzet op het ontwikkelen van uitkomstindicatoren, bij voorkeur aansluitend bij internationale initiatieven. Het vraagt ook om een bredere benadering door professionals en het organiseren van zorg in netwerken. Voor meer gelijkgerichtheid in het ziekenhuis stimuleren we dat medisch specialisten de stap maken naar het participatiemodel of loondienst.
  • Er worden opnieuw hoofdlijnenakkoorden (2019-2022) gesloten over medisch-specialistische zorg, geestelijke gezondheidszorg, huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wijkverpleging met een totale opbrengst van 1,9 miljard euro per jaar. Als de uitgaven onverwacht hoger uitvallen, dan wordt het macrobeheersingsinstrument ingezet.
  • We nemen maatregelen om de kosten van genees- en hulpmiddelen te beheersen, waaronder een scherpere inkoop en een herberekening van het geneesmiddelenvergoedingssysteem. Deze maatregelen leiden tot een besparing van ruim 460 miljoen euro per jaar. We werken op nationaal en Europees niveau samen voor de inkoop van geneesmiddelen, transparantie over kostenopbouw, innovatie (zoals personalised medicine) en de toegankelijkheid voor patiënten. De farmaceutische industrie wordt gestimuleerd en, indien nodig, met kracht aangezet tot een lagere prijsstelling. De nationale ‘sluis’ wordt voortgezet, waarbij er ruimte blijft voor decentrale onderhandelingen tussen verzekeraars, ziekenhuizen, beroepsverenigingen en farmaceutische bedrijven.
  • We stellen extra middelen beschikbaar voor (een betere organisatie van) palliatieve zorg.
  • De (subsidie voor de) niet-invasieve prenatale test (NIPT) blijft beschikbaar en wordt niet in het basispakket opgenomen. Vrouwen en stellen worden gewezen op informatie van het RIVM en de mogelijkheid contact op te nemen met ouderverenigingen.

Verhouding private zorgaanbieders en -verzekeraars en publieke rondvoorwaarden

  • We houden het huidige stelsel met private zorgaanbieders en -verzekeraars onder publieke randvoorwaarden in stand en verbeteren dit waar nodig.
  • De inspraak van verzekerden, patiënten en cliënten op het beleid van hun zorgverzekeraar respectievelijk zorgaanbieder wordt wettelijk vastgelegd.
  • Het kabinet wil voorkomen dat geld dat is bedoeld voor zorg, niet ten goede komt aan zorg. Er wordt onderzocht hoe dit op een houdbare wijze binnen het systeem gestalte kan krijgen. Het kabinet treedt hierover in overleg met de initiatiefnemers van de Wet Houdende een verbod op winstuitkering door zorgverzekeraars.
  • Gezonde mededinging draagt bij aan keuzevrijheid, betere zorg, innovatie en neerwaartse druk op de Wel geldt dat machtsverhoudingen in het stelsel verschillen per soort zorg. In de ziekenhuiszorg geldt een andere machtsbalans tussen aanbieder en verzekeraar dan in de eerste lijn. We willen dat het mededingingstoezicht daar rekening mee houdt. Daar waar samenwerking in het belang van patiënten gefrustreerd wordt door (toepassing) van mededingingsregels is aanpassing van (de toepassing van) deze regels aangewezen.

Meer transparantie voor verzekerden

  • Budgetpolissen sluiten aan bij de wensen van verzekerden, maar kunnen ook een negatief effect hebben op de solidariteit van het zorgverzekeringsstelsel. De verwachting is dat – mede door de aangepaste risicoverevening – het aanbod van deze polissen vermindert. Begin 2020 wordt getoetst of dit het geval is en of nadere maatregelen nodig zijn.
  • We onderzoeken of en hoe meer transparantie en standaardisatie van het totale polisaanbod (waaronder collectiviteiten) gerealiseerd kan worden en voorkomen kan worden dat verzekeraars dezelfde polissen tegen verschillende prijzen (laten) aanbieden.
  • Niet alleen de prijs, maar ook de kwaliteit moet centraal staan bij de zorginkoop. Daartoe moeten zorgaanbieders en verzekeraars verzekerden laagdrempeliger inzicht in de kwaliteit van het zorgaanbod en de ingekochte zorg per polis geven. Ook wordt de transparantie van de prijzen in de zorg stapsgewijs vergroot.
  • Het (meerjarige) contract tussen zorgaanbieders en verzekeraars is de basis voor afspraken over prijs, kwaliteit en zorgverlening. We onderzoeken op welke wijze het onderscheid tussen gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorg verhelderd en versterkt kan worden.
  • Het Zorginstituut bevordert dat de gezamenlijke beslissing van patiënt en zorgverleners over de behandeling een plek krijgt in medische richtlijnen. Doel is dat behandeling maximaal bijdraagt aan de kwaliteit van leven.

Geestelijke gezondheidszorg

  • We zetten de beweging door om mensen met een psychische stoornis zo veel mogelijk mee te laten doen in de samenleving en stigmatisering tegen te gaan.
  • Als blijkt dat de lopende afspraken om wachtlijsten in de GGZ te verkorten, onvoldoende werken, nemen we zo nodig aanvullende maatregelen, zoals het organiseren van een regionale doorzettingsmacht. Binnen de bestaande budgettaire kaders werken we in overleg met de verzekeraars en de GGZ-sector aan de intensivering en opbouw van de ambulante GGZ.
  • Voor GGZ-cliënten die buiten een instelling wonen is een integrale aanpak nodig van gemeenten, zorgaanbieders en verzekeraars over zorg, ondersteuning, participatie, schuldaanpak, scholing en huisvesting, met aandacht voor de omwonenden.
  • We zijn voornemens om, als de effecten in kaart zijn gebracht en deze geen belemmering vormen voor een zorgvuldige uitvoering, met een wetsvoorstel te komen om de Wet langdurige zorg (Wlz) ook toegankelijk te maken voor GGZ-cliënten die langdurige zorg nodig hebben.
  • In lijn met de lopende aanpak komt er een beter vangnet voor mensen met verward gedrag. Daar waar nodig moet regionale 24/7-crisiszorg met voldoende crisisplaatsen en vervolgzorg aanwezig zijn. Voor cliënten komen er meer mogelijkheden voor tijdelijke opname op eigen verzoek en na een gesprek met een professional . Dit helpt crisissituaties voorkomen en politie en hulpdiensten ontlasten.

Jeugdhulp

  • Ouders kunnen rekenen op ondersteuning via zwangerschapscursussen, consultatiebureaus, jeugdgezondheidszorg en scholen. Dit gebeurt binnen bestaande kaders, waarbij meer aandacht komt voor hechtingsproblematiek en opvoeding. Er moet laagdrempelige hulp en ondersteuning beschikbaar zijn, uitgaande van de eigen kracht van gezinnen.
  • Als het thuis niet meer gaat, moeten kinderen kunnen rekenen op passende zorg, bij voorkeur – als dit in het belang van het kind is – in een pleeggezin of gezinshuis. Daarbij is ruimte voor innovatie. We voeren het Actieplan Pleegzorg samen met de sector voortvarend uit om voldoende pleegouders te werven en te ondersteunen.
  • De Jeugdwet wordt geëvalueerd met daarbij nadrukkelijk aandacht voor de jeugd-GGZ. Knelpunten die daaruit blijken, pakken we aan. De ondersteuning van de transformatie van de jeugdhulp krijgt een vervolg. We stellen de invulling hiervan vast in overleg met gemeenten en de sector en stellen hiervoor tijdelijk middelen (die optellen tot 54 miljoen euro) beschikbaar als co-financier.
  • Voor het behoud van specialistische jeugdhulp kan regionale samenwerking noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld om gezamenlijk in te kopen en bedrijfsprocessen en verantwoordingssystemen af te stemmen. Als gemeenten de noodzakelijk geachte samenwerking op deze terreinen niet zelf regelen, dan dwingt het Rijk dit af. Voor gecertificeerde jeugdinstellingen kunnen gemeenten kiezen voor een subsidierelatie.
  • Vroegtijdige signalering en open gesprekken over vermoedens van mishandeling en geweld krijgen binnen de meldcode meer aandacht in sociale wijkteams en de jeugdgezondheidszorg. Daarnaast wordt de forensische kennis op het terrein van kindermishandeling versterkt.

Een inclusieve samenleving

  • Wij willen een samenleving waarin iedereen mee kan doen ongeacht talenten of beperkingen. De implementatie van het VN-gehandicaptenverdrag is hierbij belangrijk. Waar partijen achterblijven, ondernemen we actie, bijvoorbeeld door voorlopers in contact te brengen met achterblijvers.
  • Het kwaliteitskader gehandicaptenzorg is een goede basis voor een verbetering van de gehandicaptenzorg. Belangrijk is dat voor een ieder die dat nodig heeft een goede plek in een instelling beschikbaar is en gevonden wordt. Ook voor kinderen met een verstandelijke beperking of een gedragsstoornis. Voor kinderen met een zeer ernstige verstandelijke en meervoudige beperking kijken we hoe we meer maatwerk kunnen organiseren. Dat doen we mede op basis van ervaringen van ouders.
  • We brengen de groep mensen met een (licht) verstandelijke beperking, daklozen en zwerfjongeren beter in beeld en zorgen dat verschillende vormen van zorg en ondersteuning beter op elkaar aansluiten. Daarbij geven we ook aandacht aan de overgang naar volwassenheid.
  • De combinatie van passend onderwijs en zorg vanuit verschillende financieringsbronnen wordt eenduidiger en eenvoudiger geregeld. We onderzoeken op welke manier dit voor kind en ouders zo goed mogelijk kan, waaronder een betere inzet van cliëntondersteuners en onderwijszorgconsulenten (zie ook de onderwijsparagraaf).
  • We verkennen of er voor specifieke voorzieningen een landelijke of bovengemeentelijke regeling moet komen (zoals bij de Kindertelefoon) om specifieke kennis en expertise te behouden.
  • Vrijwilligers die werken met mensen in een afhankelijkheidssituatie kunnen voortaan een gratis Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aanvragen. We verhogen de maximaal onbelaste vrijwilligersvergoeding.
  • We investeren extra in onafhankelijke cliëntondersteuning die de cliënt op weg helpt op verschillende levensgebieden (waaronder maatschappelijke ondersteuning, zorg, inkomen en werk). Dit gebeurt in samenspraak met gemeenten en zorgkantoren, die deze functie moeten organiseren. Deze kabinetsperiode is hiervoor 55 miljoen euro beschikbaar, daarna 10 miljoen per jaar.
  • Gemeenten worden verder gestimuleerd met woningcorporaties afspraken te maken over voldoende en passende woonruimte, met bijzondere aandacht voor kleinschalige en innovatieve wooninitiatieven en doorstroom. We komen met een voorstel voor de organisatie en financiering van beschermd wonen op basis van het rapport-Dannenberg.
  • Het pgb blijft in alle zorgwetten verankerd. Momenteel lopen er verschillende initiatieven rondom persoonsvolgende bekostiging en een integraal pgb. We wachten de resultaten af en nemen op basis daarvan maatregelen.
  • Als gebaar ter erkenning van de grote gevolgen die Q-koortspatiënten hebben ondervonden, wordt 9 miljoen euro vrijgemaakt om mensen met langdurige klachten goed te kunnen ondersteunen, adviseren en begeleiden.

Eigen betalingen en administratieve lasten

We vinden het belangrijk dat de zorg betaalbaar is voor iedereen en erkennen dat er een stapeling van eigen betalingen kan plaatsvinden. Daarom nemen we de volgende maatregelen:

  • De hoogte van het maximale verplichte eigen risico wordt deze kabinetsperiode bevroren op 385 euro per jaar. Door de indexatie tot en met 2021 buiten werking te stellen kan het eigen risico op dit niveau gehandhaafd blijven. Het niet verhogen van het eigen risico leidt, gegeven de financieringssystematiek in de Zvw, tot hogere zorgpremies.
  • De bijbetalingen in het Geneesmiddelenvergoedingssysteem worden voor deze kabinetsperiode in 2019 gemaximeerd op 250 euro per jaar per verzekerde.
  • Een zeer groot deel van mensen die Wmo-zorg ontvangen, maakt het eigen risico in de Zvw vol. Om deze stapeling van eigen betalingen tegen te gaan, komt er een abonnementstarief van 17,50 euro per vier weken voor huishoudens die gebruikmaken van de Wmo-voorzieningen. Doordat de eigen bijdragen niet langer afhankelijk zijn van gebruik, inkomen, vermogen en huishoudsamenstelling, kunnen uitvoeringskosten en administratieve lasten fors omlaag. Er blijft ruimte voor gemeenten om lagere eigen bijdragen vast te stellen, bijvoorbeeld bij mantelzorg. Om maatwerk mogelijk te maken is eerder geld in het Gemeentefonds gestort. Om deze vereenvoudiging en verlaging te co-financieren, wordt nog eens 145 miljoen euro ter beschikking gesteld.
  • De huidige anti-cumulatie regeling blijft intact: als een huishouden al een eigen bijdrage betaalt voor Wlz-zorg, dan betaalt het geen eigen bijdrage voor een Wmo-maatwerkvoorziening. Ook de eigen bijdragen voor Wlz-zorg en beschermd wonen (Wmo) worden verlaagd. De vermogensinkomensbijtelling voor de eigen bijdragen in de Wlz wordt gehalveerd naar vier procent, nieuwe cliënten die naar een instelling dan wel accommodatie verhuizen gaan de hoge eigen bijdragen voortaan na vier in plaats van zes maanden betalen, en het marginale tarief van de lage eigen betalingen wordt verlaagd.
  • Het beleid zoals neergelegd is in de Algemene Maatregel van Bestuur over een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit bij de inkoop van Wmo-voorzieningen wordt voortgezet. Begin 2019 wordt deze geëvalueerd.
  • Publieke aanbestedingen bij overheidsopdrachten in het sociale domein kunnen bijdragen aan goede en betaalbare ondersteuning en kansen bieden voor nieuwe toetreders en innovatieve vormen van ondersteuning. De huidige wet- en regelgeving bevat ruimte voor het stellen van specifieke, functionele eisen, die gemeenten beter kunnen benutten in hun aanbesteding. Het Rijk zal de gemeenten hierbij ondersteunen. Daarbij inventariseren we knelpunten die gemeenten niet zelf kunnen oplossen. Waar deze knelpunten leiden tot de wens om de EU-regelgeving op onderdelen aan te passen, zetten we daarop in.
  • Gemeenten stellen aan aanbieders veel verschillende voorwaarden als het gaat om contractering, gegevensuitwisseling en verantwoording. Om de administratieve lasten te verminderen worden i-Wmo en i-Jeugd de standaard.
  • Met zorgaanbieders, zorgverleners, verzekeraars en toezichthouders zetten we met schrapsessies fors in op minder bureaucratie en minder regels. Met gemeenten organiseren we ook een schrapsessie met vrijwilligers en mantelzorgers.

Medisch-ethische onderwerpen

Grote zorgvuldigheid dient te worden betracht bij het overwegen van beleidswijzigingen op medisch-ethisch terrein. Zeker als het gaat om vraagstukken rond leven en dood is er in samenleving en politiek soms sprake van een fundamenteel verschil in opvattingen. Op medisch-ethisch gebied zijn er grote verschillen van opvatting tussen de partijen die de grondslag vormen van het nieuwe kabinet. Op veel andere terreinen kunnen met geven en nemen compromissen worden bereikt waaraan fracties en toekomstige bewindspersonen zich kunnen binden. Op medisch-ethisch gebied ligt dit veel moeilijker. Waar opvattingen worden gedomineerd door levensbeschouwing, geloof, overtuiging, idealen en geweten kan niet worden verlangd daar afstand van te doen. Dit akkoord wijst – naast een aantal concrete afspraken – een weg om op een respectvolle manier met verschillen hierover om te gaan.

  • De medische wetenschap dient ruimte te hebben om onderzoek te verrichten en de resultaten toe te passen. Dit kan bijdragen aan het voorkomen en genezen van ziektes, het voorkomen van onnodig lijden en verbetering van de kwaliteit van levens. De ruimte voor de medische wetenschap is echter niet ongelimiteerd en wordt beheerst door wet- en regelgeving die ook een ethische dimensie heeft.
    Hieruit volgt dat bij politieke besluitvorming met betrekking tot medisch-ethische dilemma’s  zorgvuldigheid boven snelheid gaat. Bij besluitvorming over deze onderwerpen is  bestaande wet- en regelgeving voor alle partijen het uitgangspunt. Wanneer er aanleiding is deze wet- en regelgeving aan te passen, zal het kabinet dit doen op een wijze die rekening houdt met de overtuiging  van alle partijen die het kabinet dragen en aan de hand van het algemene toetsingskader zoals hieronder beschreven.  Bij nieuwe ontwikkelingen zullen steeds drie vragen worden gesteld.
    In de eerste plaats zal, waar het gaat om verruiming van onderzoeks- en toepassingsmogelijkheden, de vraag naar de medisch-wetenschappelijke noodzaak moeten worden gesteld. Zijn er toereikende alternatieven die geen of een minder vergaande verruiming van de beleidsruimte behoeven?
    In de tweede plaats is er de vraag naar de medisch-ethische dimensie. Er is meer dan het belang van vooruitgang van de medische wetenschap, zoals ethische bezinning bij wetenschappers en zorgprofessionals. De adviezen van de Gezondheidsraad en andere adviesorganen die ook op dit aspect ingaan, zullen daarbij zwaarwegend zijn. Ten derde is er de vraag of er een maatschappelijke discussie heeft plaatsgevonden en of er sprake is van politieke bezinning. Afhankelijk van het onderwerp kan nadere advisering door de Raad van State gewenst zijn.
  • Enkele vraagstukken, dilemma’s en nieuwe ontwikkelingen zoals hiervoor in algemene zin genoemd, doen zich feitelijk voor in de laatste levensfase. Waardig ouder worden is een breed gedragen maatschappelijke doelstelling (zie ook het gelijknamige manifest) die aandacht en actie vraagt op verschillende terreinen van het kabinetsbeleid. De euthanasiewetgeving is onderwerp geweest van onderzoek en advies door de Commissie-Schnabel vanuit de vraag hoe deze zich verhoudt tot hulp bij zelfdoding aan mensen die dit wensen omdat zij hun leven voltooid achten. Deze commissie concludeerde in 2016 onder meer dat de huidige wetgeving meer ruimte biedt dan artsen op dit moment voor ogen hebben. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan dementie en psychisch lijden. Voorts concludeerde de commissie dat bij euthanasie in complexe gevallen, waarbij naast een stapeling van ouderdomsklachten ook sprake is van bijvoorbeeld dementie of psychisch lijden, extra behoedzaamheid geboden is. De commissie was, op basis van literatuuronderzoek, verder van oordeel dat de restgroep van mensen die hulp bij zelfdoding wensen omdat zij hun leven voltooid achten en geen gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die de huidige wetgeving (Wet toetsing levensbeëindiging en hulp bij zelfdoding (WTL)) biedt, waarschijnlijk klein is. Het rapport van de commissie is door het kabinet voorzien van een reactie en was voor het Kamerlid mw. Dijkstra reden een concept-initiatiefvoorstel in consultatie te geven. Het gaat hier in het bijzonder om mensen die niet voldoen aan de criteria van de Euthanasiewet. Nadien verscheen de derde evaluatie van de WTL. Vast staat dat zowel voorstanders als tegenstanders van een regeling voor hulp bij zelfdoding aan mensen die dit wensen omdat zij hun leven voltooid achten, hechten aan een brede maatschappelijke discussie over en zorgvuldige benadering van dit onderwerp.Met inachtneming van hetgeen hierboven is gesteld, zullen daarom de volgende stappen worden gezet.
  • De uitvoering van de aanbevelingen van het manifest “Waardig ouder worden” zal door het kabinet ter hand worden genomen.
  • De minister van Volksgezondheid zal de aanbevelingen van de commissie-Schnabel, waaronder verruiming van de kennis over en bekendheid met de euthanasiewetgeving (verbeteren van de kennis over de Euthanasiewet onder artsen en patiënten en het in bepaalde situaties raadplegen van een extra consulent), ter hand nemen in samenhang met de derde evaluatie van de euthanasiewetgeving.
  • Er zal een onderzoek gestart worden naar de omvang en omstandigheden van de groep mensen voor wie de hierboven door de commissie-Schnabel genoemde ruime interpretatie en toepassing van de bestaande euthanasiewetgeving onvoldoende soelaas biedt in de ogen van betrokkenen.

In samenspraak met de Kamer, met behoud van ieders eigen positie en verantwoordelijkheid, zal het kabinet een brede discussie faciliteren over het waardig ouder worden, de reikwijdte en toepassing van de huidige euthanasiewetgeving en het onderwerp voltooid leven. Met de uitkomsten van het genoemde onderzoek zal het kabinet bezien wat het te doen staat en kan de Kamer zelfstandig besluiten over initiatiefwetgeving.

  • Ook is aparte aandacht nodig voor het vraagstuk van onderzoek met embryo’s en de mogelijkheid DNA van embryo’s te veranderen (‘’kiembaanmodificatie’). Onderzoek met embryo’s is gericht op het voorkomen van diverse ziekten. Toestemming voor het kweken van embryo’s  louter voor onderzoeksdoeleinden zou de Nederlandse medische wetenschap bevorderen. De huidige wet- en regelgeving in Nederland is restrictief. Hiermee is Nederland geen uitzondering. Er zijn maar enkele landen waar het kweken van embryo’s  voor onderzoeksdoeleinden minder beperkingen kent (België, Zweden, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Japan). Een verruiming van de huidige regelgeving op dit gebied is een zeer fundamentele kwestie die ook volgens de Gezondheidsraad niet los gezien kan worden van een bredere discussie die de ethische en maatschappelijke aspecten omvat. Het kabinet zal deze discussie stimuleren en tegelijkertijd inzetten op alternatieven. Het beleid met betrekking tot restembryo’s die ontstaan in het kader van IVF-behandelingen en worden gebruikt ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, blijft intact. Ter beperking van risico’s bij zeer ernstige erfelijke aandoeningen met een ongelijke geslachtsincidentie zoals LHON en erfelijke borstkanker als gevolg van mutaties in een van de BRCA-genen, worden bij geslachtscellen of embryo’s de mogelijkheden voor geslachtskeuze verruimd .
    Verder wordt ingezet op onderzoek naar de mogelijkheid van  het gebruik van (geïnduceerde) pluripotente stamcellen  voor onderzoek ter voorkoming van ernstige erfelijke ziekten. Het kabinet stelt hiervoor extra middelen beschikbaar met als doel een leidende rol te spelen in het internationale wetenschappelijke veld op dit gebied.
  • Als derde onderwerp met een medisch-ethische dimensie is te noemen het initiatiefvoorstel tot wijziging van de Wet op de orgaan donatie in verband met het opnemen van een actief donorregistratiesysteem (ADR). Daarbij hebben partijen verschillende posities ingenomen maar zijn de drie hierboven beschreven fasen inmiddels zorgvuldig doorlopen. Het initiatiefvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer en nu aanhangig bij de Eerste Kamer, die het in behandeling heeft genomen.
  • Ook voor andere onderwerpen van medisch-ethische aard geldt het algemene toetsingskader als hierboven omschreven. Mogelijke nieuwe initiatieven op dit gebied zullen vanuit het kabinet eerst worden beoordeeld en van een reactie worden voorzien, nadat de voorbereiding van beantwoording van de vragen naar de medisch-wetenschappelijke noodzaak, de medisch-ethische dimensie en de bredere maatschappelijk-politieke afweging op een zorgvuldige en breed gedragen wijze heeft plaatsgevonden. Bij besluitvorming door het kabinet hierover zullen alle relevante belangen en zienswijzen in de overwegingen worden betrokken. Partijen zijn ervan overtuigd dat ze met respect voor elkaar over individuele onderwerpen tot een oplossing zullen kunnen komen.

Cultuur

Cultuur verrijkt het individu en verbindt de samenleving. Naast haar intrinsieke waarde en de waarde voor onze identiteit en geschiedenis draagt cultuur bij aan de economie van ons land, bijvoorbeeld door bij te dragen aan toerisme en een goed vestigingsklimaat. Interesse in kunst en cultuur, bijvoorbeeld door cultuureducatie, kan niet vroeg genoeg beginnen. De culturele sector is er, na een periode van flinke hervormingen, in geslaagd om nieuwe geldstromen, nieuw publiek en verrassende samenwerkingsvormen te vinden. Wel staan specialistische kennis en de reserves van instellingen onder druk. Komende jaren willen we daarom gericht extra investeren in kwaliteit.

  • We breiden de basisinfrastructuur uit en zorgen voor continuïteit, zodat onze topinstellingen hun positie in binnen- en buitenland kunnen vasthouden. De Geefwet blijft.
  • Vernieuwing en talentontwikkeling krijgen meer ruimte bij de cultuurfondsen. Daarbij is het belangrijk dat het kunst- en cultuuraanbod voor iedereen bereikbaar is, zowel in de Randstad als de regio. Stedelijke centra zoals Groningen, Breda, Enschede en Eindhoven kunnen hierin een belangrijke aanjagende functie vervullen. Een betere onderlinge afstemming tussen Rijk, provincies en gemeenten draagt daaraan bij.
  • Het Fonds voor Cultuurparticipatie krijgt meer middelen voor het behoud en de ontwikkeling van volkscultuur.
  • Monumenten, kunstwerken en archieven willen we beschermen en toegankelijk maken, ook met behulp van digitalisering. Speciale aandacht voor monumentale kerken, ook als die leeg komen te staan, is nodig. Er wordt geïnvesteerd in onderhoud en herbestemming. Particuliere monumentenbezitters blijven financieel gesteund worden. We trekken hier deze kabinetsperiode 325 miljoen euro voor uit.
  • Door als overheid garant te staan voor geleende topstukken (indemniteitsregeling) kunnen tentoonstellingen makkelijker tot stand komen. Goed collectiebeheer, onderzoek, en ruimte voor nieuwe aankopen, vormen de basis voor waardevolle tentoonstellingen in de toekomst.
  • We vinden het belangrijk de kennis over onze gedeelde geschiedenis, waarden en vrijheden te vergroten. Deze maken ons tot wat we samen zijn. In Nederland is iedereen gelijkwaardig, ongeacht geslacht, seksuele geaardheid of geloof. Tolerantie naar andersdenkenden is de norm en kerk en staat zijn gescheiden. In Nederland kun je kiezen welk geloof je wilt belijden, of om niet te geloven. Dit zijn waarden waar we trots op zijn en die ons maken tot wie we zijn. Het is van groot belang dat we die historie en waarden actief uitdragen. Het zijn ankers van de Nederlandse identiteit in tijden van globalisering en onzekerheid. Op school leren kinderen daarom het Wilhelmus, inclusief de context ervan. Ook maken we het mogelijk dat alle kinderen tijdens hun schooltijd het Rijksmuseum en ons parlement bezoeken. We investeren in het beter zichtbaar maken en zo mogelijk toegankelijk maken van historische plaatsen in het land die het verhaal van onze geschiedenis vertellen. De in 2006 opgestelde nationale canon is hierbij leidend. Deze nationale canon wordt uitgereikt aan jongeren die de leeftijd van 18 jaar bereiken en aan personen die het Nederlanderschap verwerven.

Sport

Sport bevordert de gezondheid en brengt plezier, trots en saamhorigheid. Sport verdient daarom onze aandacht, te meer omdat bonden en verenigingen het steeds lastiger hebben om vrijwilligers te vinden en de financiële mogelijkheden voor verdere professionalisering van de breedte- en topsport beperkingen kennen. Samen met de sportsector en gemeenten willen we de sport in Nederland financieel en organisatorisch versterken. Sportbonden en een bloeiend verenigingsleven hebben hierin een centrale positie.

  • We willen een sportakkoord sluiten. Belangrijke partners hierbij zijn de sportbonden, sportverenigingen, sporters met een beperking, en gemeenten. Doel is om de organisatie en financiën van de sport toekomstbestendig te maken. Daar hoort in onze tijd ook diversiteit in de samenstelling van sportbonden bij, net zoals de ontwikkeling van open sportclubs in wijken en een laagdrempelige toegang voor kinderen. Voor het versterken van de positie van de sportbonden trekt het kabinet structureel 10 miljoen euro uit. De regeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties wordt daarnaast verlengd.
  • Het kabinet verdubbelt de in 2016 afgesproken structurele intensivering voor de topsport van 10 miljoen euro per jaar naar 20 miljoen euro per jaar om meer kansen te bieden aan onze Olympische en Paralympische teams. Daarnaast komt er meer ruimte voor topsport talenten om onderwijs en topsport combineren.
  • Het kabinet trekt structureel 5 miljoen euro extra uit ter ondersteuning van de organisatie van sportevenementen in Nederland, waaronder EK’s, WK’s en multisportevenementen. Het initiatief voor de organisatie van een evenement ligt altijd bij de sport en haar partners. Het kabinet zal het gesprek met de bonden aangaan over de handhaving van de openbare orde bij evenementen en de omgang met gedragingen  tijdens evenementen en risicowedstrijden.
  • Het kabinet gaat steviger inzetten op de aanpak van dopinggebruik, matchfixing, corruptie en misbruik in de sport.

Media

De uitdagingen  voor de journalistiek en mediabedrijven zijn enorm, op landelijk, regionaal en lokaal niveau. Grote internationale bedrijven domineren de markt wereldwijd en informatie is vaak direct gratis digitaal toegankelijk. Ruimte voor onafhankelijke onderzoeksjournalistiek en een stevige publieke omroep op alle schaalniveaus is hierdoor niet langer vanzelfsprekend, maar wel nodig vanwege het veranderende medialandschap. Daar willen we aan bijdragen in de komende jaren.

  • De komende periode werken we aan voldoende onafhankelijk journalistiek aanbod op lokaal en regionaal niveau. Samenwerking (publiek en privaat) op lokaal en regionaal niveau wordt bevorderd. Een voorbeeld daarvan is de realisatie van regiovensters op de kanalen van de NPO in de komende kabinetsperiode.
  • De afgelopen periode is een belangrijke stap gezet in de samenwerking tussen regionale omroepen door de vorming van de Regionale Publieke Omroep (RPO). Op lokaal niveau worden steeds meer streekomroepen gevormd. Omdat dit bijdraagt aan de professionalisering, beraadt het kabinet zich op de wijze van organisatie en financiering van de lokale omroepen.
  • Daarnaast trekt het kabinet geld uit voor de bevordering van onderzoeksjournalistiek. Deze vorm van journalistiek staat onder druk, maar is van vitaal belang voor de controlerende taak die de journalistiek heeft. Daarbij acht het kabinet de interne ombudsfunctie van groot belang.
  • Persvrijheid staat in steeds meer landen onder druk. Nederland blijft zich inspannen om bedreigde journalisten in het buitenland te beschermen. 

Begrotingsbeleid

We streven naar het handhaven van een begrotingsoverschot in de komende kabinetsperiode en voeren een trendmatig begrotingsbeleid. 

  • Door te streven naar een begrotingsoverschot van circa ½ % BBP in 2021 is er ten opzichte van de begrotingsnormen van het stabiliteits- en groei pact ruimte voor het voeren van een trendmatig begrotingsbeleid. Het kabinet zal daarom een vast uitgaven- en lastenkader hanteren waarbij de inkomsten en het conjuncturele deel van uitgaven aan WW en bijstand mee kunnen ademen met de economie.
  • Waar het conjuncturele deel van de WW en bijstand uit het uitgavenkader worden gehaald, zal het kabinet de rente-uitgaven over de staatsschuld en de budgettaire gevolgen van beleidsmatige besluiten over de gaswinning onder het uitgavenkader plaatsen, zoals de Studiegroep Begrotingsruimte heeft geadviseerd. Dit zorgt er per saldo voor dat de stabiliserende werking van de overheidsbegroting op de economie toeneemt, zonder in te boeten aan beheersing van de collectieve uitgaven.
  • Door het uitgavenkader te indexeren met de loon- en prijsontwikkelingen van de uitgaven is niet langer sprake van zogeheten ruilvoet-mee- of tegenvallers.
  • De al geldende begrotingsregels worden bestendigd, inclusief de aanpassingen die de 15e Studiegroep begrotingsruimte heeft geadviseerd.
  • Er wordt een operatie Inzicht in Kwaliteit uitgevoerd om de kennis over doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid te vergroten.

Financiële verhoudingen mede-overheden

  • Het kabinet zal in het kader van de programmatische afspraken met mede-overheden ook afspraken maken over de financiële verhoudingen tijdens de komende kabinetsperiode.
  • Uitgangspunt voor de indexering van het Gemeente- en Provinciefonds is de trap-op-trap-af systematiek. Deze systematiek wordt gekoppeld aan de totale uitgaven onder het uitgavenkader (minus enkele correctieposten zoals het gemeente- en provinciefonds zelf).  Dit versterkt de evenredigheid van de systematiek en draagt bij aan een stabielere accresontwikkeling. Het integreerbare deel van de integratie uitkering sociaal domein gaat per 2019 op in de algemene uitkering, en maakt daarmee deel uit van de trap-op-trap-af systematiek.
  • In overeenstemming met de wet houdbare overheidsfinanciën (HOF) zullen er ook afspraken gemaakt worden over het aandeel van de decentrale overheden in het EMU-saldo de komende kabinetsperiode, waarbij het uitgangspunt het EMU-saldo na doorrekening door het CPB is.
Regeerakkoord: Vertrouwen in de toekomst